maandag 12 september 2011

Onvervreemdbaar bezit


God heeft het land Kanaan aan Israel gegeven als een eeuwig bezit (Gen. 17:8). Deze tekst wordt vaak gebruikt om aan te tonen dat het volk Israel nu nog steeds het alleenrecht heeft op Palestina.

Als je op grond van de bijbel beweert dat de landbelofte na Christus getransformeerd is in de verwachting van Gods wereldwijde koninkrijk, een nieuwe hemel en nieuwe aarde, dan word je al snel beticht van ‘vervangingstheologie’ en ‘vergeestelijking’. Dat gebeurt ook o.a. in de recent verschenen brochure “onopgeefbaar verbonden”.

Vergeestelijking is echter een term die niet zo vaak geijkt wordt. Zeker niet door degenen die de uitdrukking bij voorkeur enigszins badinerend in de mond nemen.

Bijbels gezien is ‘vergeestelijking’ echter nog niet zo’n gek begrip. Meer dan eens zien we dat Gods Geest een gegeven uit de bijbelse historie gebruikt, om een nieuwe werkelijkheid mee te beschrijven. Het oude blijft dan als beeld bestaan, maar het beschrijft iets nieuws. Zo wordt de terugkeer uit de ballingschap in Jesaja meermalen met woorden beschreven die ontleend zijn aan de uittocht uit Egypte (bv. 43:2 en 48:21-22).

In Psalm 16:5-6 vinden we een vergeestelijking van het landbezit. De woorden: bezit (Joz. 18:5), lot (Num. 26:56), meetsnoer/landstreek (afgemeten stuk) en vooral erfdeel (Gen. 48:6), zijn allemaal woorden die met het bezit en de verdeling van het land te maken hebben. Iedere Israelitische familie kreeg van God het haar toegemeten erfdeel als land. Via het lot werd het land haar toegewezen. Het was het onvervreemdbaar erfdeel van die familie.

Dat ging zo ver dat er geen stukje land verkocht mocht worden (Lev. 25:23). Met als redenering: het land is van God, je bent er slechts te gast!

David betrekt in deze psalm het landbezit zomaar op God.

            HEER, U bent mijn bezit en mijn beker
            U bestendigt wat het lot mij toewees
            Iets heerlijks is voor mij uitgemeten
            Ja, mijn erfdeel is prachtig in mijn ogen

David, de grootgrondbezitter. Degene die de landsgrenzen nog het dichtst bij de grote belofte van Jozua 1:4 wist te brengen. Degene die Jeruzalem veroverde. Die David zegt dit. Hij noemt niet het land zijn onvervreemdbaar bezit, maar de HEER zelf.

Is David hier aan het vergeestelijken geslagen? Ik denk het wel. Maar het is niet zomaar een allegorie, in de zin van: waar land staat moeten we vanaf nu God lezen, nee, zo niet. Maar David heeft hier het landbezit tot in zijn diepste geestelijke betekenis gezien.

Want waarom gaf God het land aan Israel? Zomaar, om ze een cadeautje te geven? Nee, Hij gaf dat land met het doel dat er op aarde één plek zou zijn waar God vrijuit gediend kon worden door zijn volk. Mozes geeft Farao als argument voor de uittocht, dat het volk in vrijheid een feest voor God moet gaan vieren (Ex. 5:1). In het lied van Mozes wordt al gezongen over Jeruzalem, de heilige berg waarop God woont (Ex. 15:17). In Deut. 12 wordt gesproken over de ene plaats van de eredienst, waar men God in alle vreugde kan ontmoeten. Het volk krijgt het land van God om Hem daar te dienen. Het land is niet zozeer hun bezit, ze krijgen het in bruikleen, maar de HEER zelf is hun bezit.

David heeft dat gezien. Hij kijkt door het uiterlijke landbezit heen, en ziet God. Niet het land, maar God is zijn bezit. En daarom mag David in dat land wonen. Hij ziet de ware, geestelijke, betekenis van het landbezit.

Bij David leidt dat er nog niet toe dat hij van zijn aardse erfdeel afziet. Dat hoeft ook niet. Maar het krijgt al wel een relativering. Een relativering die nog verder doorgevoerd wordt in de eerste christelijke gemeente. In het bewustzijn van het feit dat Christus hun hoogste bezit is, en dat in Hem de immense erfenis van de nieuwe aarde hen wacht, verkopen joodse christenen hun huizen en stukken grond. Geheel tegen Gods gebod van Leviticus 25 in. Vanaf nu weegt het doen van recht en gerechtigheid zwaarder, dan het bezit van het land.

Het landbezit was een schaduw, de werkelijkheid is Christus. Een onvervreemdbaar bezit.  



5 opmerkingen:

  1. Als Paulus in Gal. 3:16 zegt dat we het "Zaad van Abraham" moeten begrijpen als Christus, is dat vergeestelijken? Volgens Paulus zelf is dat het geven van de oorspronkelijke bedoeling van de tekst.

    In Genesis komt voortdurend de relatie tussen de mens en de aarde, meestal: "het land", aan de orde. Vanaf het moment dat de mens uit Eden verdreven wordt gaat het om het herstel van het paradijs. In dat licht moeten we de landbelofte aan Abraham zien. Kanaan zal de plaats zijn waar God weer woont bij Zijn volk. Het staat vanaf het begin (!) pars-pro-toto voor de gehele (nieuwe) aarde. Vergelijk bijvoorbeeld Mattheüs 5:5 dat weer terug gaat op de Psalmen.

    Bovenstaande is natuurlijk veel te kort, maar dit is mijns inziens de lijn van de Bijbel.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ter verheldering - Dus:

    1. als het zo is dat David "de ware, geestelijke, betekenis van het landbezit" ziet, dan kun je dit geen vergeestelijken noemen.

    2. Als David aan het land, als een soort onderpand of sacrament, ziet dat God zijn God is dan is dit niet een relativering van het land.

    3. Het land is geen schaduw van Christus, maar van de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont en God alles is en in allen.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. @Pater

    Bedankt voor je heldere reactie.

    1. David gebruikt termen die normaal voor landbezit gebruikt worden voor God. M.i. dus vergeestelijking (diepere lading) van die termen.
    Je opmerking geeft wel aan dat de term 'vergeestelijking' nog eens goed geijkt moet worden. Waar praten we eigenlijk over als we dat woord gebruiken?

    2. David ziet dat hij het land niet bezit om het maar te bezitten. Het heeft een doel: God dienen. Een zekere relativering van het bezit is er dus wel. --> het is afhankelijk van het doel: God dienen. Maar die relativering wordt inderdaad pas totaal als Jezus duidelijk zegt dat vanaf een zeker moment God overal aanbeden kan worden (Joh. 4). Dan heeft dat ene stukje land (m.n. Jeruzalem) die speciale waarde niet meer.

    3. Goed punt.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. 1. Het kán ook zijn, dat David gewoon een metafoor gebruikt. Hij gebruikt dan het bezit van het land als metafoor voor het bezit van God.

    2. Het doel van de gave van het land is al vanaf het begin af aan God dienen. Als het relativering is dan ten hoogste relativering op een scheefgroei, waarbij het gaat om het land als land.

    Jezus heeft het in Johannes 4 mijns inziens niet (zozeer) over een verandering van plaats (van één plaats naar alle plaatsen) maar een verandering (zo je wilt: vergeestelijking) van de "godsdienst" zelf, van de offerdienst in Jeruzalem naar het "aanbidden in Geest en waarheid".Hoewel deze eis in de Hebreeuwse Bijbel ook al wel gold bleef de aanbidding een tijd lang exclusief verbonden met de tempeldienst in Jeruzalem.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Geheel eens met de opmerking dat het beloofde land gegeven is om God daar te kunnen dienen. Immers er was geen stuk land dat al niet aan een volk en de daarmee verbonden goden was gewijd.
    Nu waren er verschillende volken en verschillende goden die heersten in Kanaän. Zij moesten verwijderd worden, MAAR NIET EERDER DAN NADAT DE ONGERECHTIGHEID VAN DIE VOLKEN VOL WAS! (Gen. 15:16)Kennelijk waren de Amorieten het laatste volk welks maat vol was na ruim 400 jaar) God geeft geen land weg van een rechtvaardig volk, want dan zou Hij onrechtvaardig zijn.
    God zocht naar de mogelijkheid om de mens te redden en hij verkoos een man en daarna een volk uit wie de Messias zou voortkomen.
    Hij gaf hun een grondwet (de wet van het verbond; Deut. 4:13) Er was dus een Koning (God), zijn volk (Israël, een grondwet (de tien geboden) en een land dat veroverd moest worden op volkeren waarvan de maat van hun zonde vol was. God betrok dus zijn volk bij het oordeel over deze volken.

    God, zijn volk, de grondwet en het land vormen dus een eenheid (koninkrijk). Toen de grondwet werd blijvend werd geschonden, constateerde de Koning dat het Sinaï verbond verbroken was (Jer. 31:32)Bij schending van dit verbond zijn de sancties (vervloekingen) van toepassing. Daarbij hoort uitzetting uit het beloofde land. Bij schending van het verbond geldt Israël niet meer als Gods volk (Ex. 19:5-6)
    Ergo Israël is niet meer Gods unieke volk, gekozen uit alle volken. Als de sancties van een verbond of overeenkomst worden uitgevoerd dan is terugkeer naar het land niet meer mogelijk.
    In 722 voor Chr. werd Israël (tienstammenrijk) uit het land gespuwd om nooit meer terug te komen. De sancties verbieden terugkeer uit ballingschap niet, zolang het verbond nog bestaat. Dit verbond verdwijnt echter in Christus, toen het nieuwe verbond in het bloed van Christus met andere voorwaarden van kracht werden.
    De belofte van het land stond niet op zichzelf, het had te maken dat God hún God was.
    Het verbond dat apart gesloten werd met Israël op de Sinaï was een voorwaardelijk verbond (Ex. 19:5)Er is geen verbond van God dat niet voorwaardelijk is (Jer. 18 de pottenbakker)

    Het eeuwige verbond met Pinechas werd toch door God teruggedraaid:
    Daarom, luidt het woord van de HERE, de God van Israël, Ik heb duidelijk gezegd: uw huis en uws vaders huis zullen voor altijd voor mijn aangezicht wandelen, maar nu luidt het woord des HEREN: dit zij verre van Mij! Want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij versmaden, zullen gering geacht worden. (1 Sam. 2:30)

    Er is geen juridische grond waarop Israël kan claimen dat een stuk land in het Midden-Oosten nog van hun is.

    BeantwoordenVerwijderen