zondag 5 oktober 2014

Aan Laodicea - Openbaring 3:14-22

[Naar aanleiding van een Bijbelstudie over Openbaring 3. Voor de hele bijbelstudie, zie hier]

Stel je voor dat je gemeentelid bent in Laodicea. Je woont de zondagse samenkomst bij en het boek Openbaring wordt voor het eerst voorgelezen. Je weet dat het boek de vorige weken in de andere zes gemeentes in de regio is voorgelezen en nu bij jullie is aanbeland. Je hoort de zes brieven aan de andere gemeenten en het diverse beeld dat daaruit naar voren komt: twee gemeenten worden letterlijk de hemel in geprezen en op de andere vier is meer of minder aan te merken. Van je eigen gemeente heb je een positief beeld. Het gaat prima, en dat helemaal zonder hulp van buitenaf. De gemeente is prima in staat zichzelf te bedruipen, rijk genoeg.

De voorlezer begint: je hoort hoe Christus zich voorstelt als de Amen, degene die volstrekt betrouwbaar is in wat Hij zegt, en dat vol heeft gehouden tot in de dood. “Ik weet wat u doet”, zegt Jezus. Je gaat op het puntje van je stoel zitten om maar te horen hoe het oordeel van Jezus over je gemeente uitvalt. De voorlezer gaat verder en… je schrikt je een ongeluk. Het beeld dat Christus gebruikt herken je meteen. Want met het drinkwater in de stad is het niet zo goed gesteld. Het is zo lauw en smakeloos, dat je eerste reflex een spuugreflex is: “bah, niet te drinken!” Nee, dan het water in Kolosse, dat is lekker fris, dat drink je zo weg. En het water in Hierapolis, een andere stad in de buurt, heerlijk warm, goed voor je botten. Wat dat betreft is Laodicea slecht bedeeld. En dat is nu precies wat Christus van je gemeente vindt: “Bah, ik ga jullie uitspugen!”.

“Jullie denken dat jullie rijk zijn”, hoor je de voorlezer zeggen: “maar jullie zijn arm, blind en naakt”. Je kunt je oren bijna niet geloven. Laodicea, een rijke bankiersstad met een goede medische faculteit en een levendige textielindustrie en dan arm, blind en naakt? Ja, je hoort het goed. En het probleem is ook niet meer intern op te lossen. Hoor wat Jezus zegt: “ik raad je aan om bij mij te kopen”. Blijkbaar is de gemeente helemaal niet in staat zichzelf te bedruipen, maar volkomen aangewezen op Jezus. Bij hem kun je gelouterd goud krijgen, dat is een symbool voor het steeds zuiverder worden door de beproevingen heen. Bij Hem kun je ook witte kleren krijgen, symbool voor de vergeving van de zonden en het nieuwe leven (7:14; 19:8 en 22:14). En Hij is degene die met zalf je ogen kan openen om de grote waarde van Jezus voor hen te ontdekken.

Ondertussen zit je te wachten op een ‘maar…’. In de andere brieven kwam er een maar, er was altijd wel iets goeds te zeggen. Zelfs in de brief aan Sardes. In deze brief geen maar. Er is niks goeds te zeggen.

De brief eindigt met twee opmerkingen die je aansporen om echt werk te gaan maken van een nieuw leven. De eerste opmerking begint bij de liefde van Christus. Dat Hij zo negatief schrijft heeft een positieve achtergrond. Hij houdt van je en wil je door deze brief zo laten schrikken dat je je bekeert.
De tweede opmerking is ronduit uitnodigend. Helaas moest Jezus bij het rondkijken in de gemeente constateren dat er voor Hem geen plek is, Hij woont er niet. Maar Hij staat wel aan de deur en klopt aan. Hij wil graag naar binnen. Er hoeft maar één persoon in de gemeente te zijn die de deur voor Hem openzet en Hij zal naar binnenkomen om samen te eten. Met de Amen, de Eerste van de schepping aan tafel. Ondanks je armoede, naaktheid en blindheid is dat het enige wat nodig is: de deur open zetten en Hij zal met je eten, je mooie witte kleren aantrekken, je blinde ogen zalven en je zuiver goud geven.

Stel je voor dat jij gemeentelid bent in Laodicea, wat zou je doen?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten