Posts tonen met het label Schriftgezag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Schriftgezag. Alle posts tonen

donderdag 31 mei 2018

Vrouw en ambt (reloaded)


Als je een tijdje de discussie over vrouwelijke ambtsdragers volgt word je vanzelf vrouw-en-ambt-moe. Ik tenminste wel. Een tijdlang werd de opiniepagina van het Nederlands Dagblad bezet door een wat vruchteloze herhaling van zetten. Dat komt doordat de discussie zich vaak op twee niveaus afspeelt: een exegetische en een hermeneutische.

De exegetische discussie spitst zich toe op de ‘zwijgteksten’. Afhankelijk van hoe woordbetekenissen en achterliggende historische situaties gereconstrueerd worden komt men tot een conclusie of de bijbel vrouwelijke ambtsdragers verbiedt of niet.

De hermeneutische discussie gaat een stap verder en stelt de vraag: op welke wijze kunnen wij in onze tijd de Bijbelse voorschriften toepassen, nu de verhouding tussen man en vrouw zo veranderd is? Vaak leidt deze hermeneutische redenering tot de opvatting dat we vandaag inderdaad ruimte moeten geven aan vrouwelijke ambtsdragers. Tegenstanders vinden dit een te makkelijke manier om je aan het gezag van de Bijbel te ontworstelen. In sommige kringen is ‘nieuwe hermeneutiek’ zelfs een woord geworden voor alles wat niet deugt in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.

In zijn nieuwste boek ‘Meedenken met Paulus’ kiest dr. Bert Loonstra voor de theologische insteek.
In de discussie rondom vrouwelijke ambtsdragers gaat het namelijk om concrete voorschriften van Paulus die hij soms ook op het Oude Testament (de wet) baseert. Loonstra stelt de terechte vraag welke plaats concrete voorschriften in Paulus’ theologie innemen, zeker wanneer hij zich in die voorschriften ook nog eens beroept op de wet uit het Oude Testament. Op een rustige manier legt hij de grondstructuur van het denken van Paulus bloot. Daarbij beschrijft hij vooral hoe God, Christus en de Geest zich in uitspraken van Paulus tot de wet verhouden. De conclusie van Loonstra is dat voor Paulus de wet als uiterlijke knechtende instantie sinds Christus en de Geest voorbij is. De grond voor die opvatting vindt hij bv 2 Korinte 3:6-7 “de letter doodt maar de Geest maakt levend” en Romeinen 7:6 “we dienen niet meer de oude orde van de wet, maar in de nieuwe orde van de Geest”. Loonstra hanteert deze teksten niet als losse bewijsteksten, maar als onderdeel van een uitgewerkte theologie van Paulus, waarin ook het kind-zijn in plaats van slaaf-zijn en daarmee de rol van de christelijke vrijheid aan de orde komen.

Dan komt wel de vraag op hoe het komt dat Paulus zelf nog concrete voorschriften geeft en die soms onderbouwt vanuit de wet. Loonstra komt tot de conclusie dat Paulus positief teruggrijpt op de wet als die teksten een expressie vormen van Gods bevrijdende liefde. Inhoudelijk staan ze dus altijd in het kader van het evangelie. Ook de geschreven wet staat bij Paulus uiteindelijk in dienst van het evangelie en heerst niet over het evangelie.

Voor wie meer van Loonstra gelezen heeft zijn deze denklijnen niet nieuw. Al in zijn boek ‘Zo goed en zo kwaad’ uit 2000 denkt hij uitgebreid na over de rol van de wet bij Paulus. Ook in zijn artikel in juni 2010 over ‘goede werken doen’ in Theologia Reformata vinden we dezelfde denklijnen. Daar is ook duidelijk dat hij veel van zijn gedachten ontleent aan het zogenaamde 'nieuwe perspectief op Paulus'. Op een onderbouwde manier neemt hij exegetische perspectieven uit die beweging mee in zijn lezing van Paulus. Het huidige boekje vind ik een rijp product van jarenlange bezinning op ethische uitspraken bij Paulus. Vandaar dat zijn uiteindelijke toepassing op vrouwelijke ambtsdragers niet in de lucht hangt, maar ingebed is in een betrokken lezen van Paulus. De conclusie is even helder als lastig: als het gaat om het leven als christen moeten we Paulus niet napraten, maar we moeten leren denken als Paulus. Dat geeft uitdaging genoeg. Het is overigens knap dat hij dit alles in slechts ruim 100 pagina's weet op te schrijven. 

Dat deze insteek van Loonstra nodig is ervoer ik gisteren toen ik in de bundel ‘zonen & dochters profeteren’ waar ik overigens zelf aan bijgedragen heb, het gedeelte over 1 Timoteus 2:9-15 las. Het was een plausibele exegetische reconstructie. Maar toch, er werd wel veel verondersteld, en dat is zo in elke exegese die ik van dit gedeelte heb gelezen. Als we de discussie alleen op exegetisch niveau voeren dan gaan op een gegeven moment de stemmen staken. We hebben er te weinig zekerheid over. De benadering van Loonstra biedt m.i. meer mogelijkheden om als christelijke gemeente vandaag een weg te vinden in ethische en praktische vraagstukken.

Overigens blijft daarbij het nauwkeurig lezen van de Bijbel en ook van Paulus’ voorschriften van belang. En om nog even reclame te maken: gisteren viel bij mij een bijbelstudieboekje op de mat dat de opbrengst van ‘zonen en dochters profeteren’ in 4 compacte hoofdstukken samenvat en begrijpelijk bespreekt. Het boekje heet ‘Samen met de vrouwen’ en bevat gespreksvragen en stellingen. Geschikt materiaal voor een gesprekskring. Zeker als in jouw gemeente dit thema erg speelt is dit de moeite waard. Let dan wel op dat dit boekje geschreven is door voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers. Dat kleurt ongetwijfeld de studies.

Ik merk in de praktijk dat veel christenen, vooral in de GKV waar het gesprek nu actueel is, wel gebaat zijn met enig overzicht in de discussie. Zonder dat er meteen een positie wordt ingenomen. De discussie is gelaagd en complex, en al te gauw wordt er met scherp op elkaar geschoten. Het zou mooi zijn als eens iemand de tijd zou hebben om een soort inleiding in deze discussie te geven. Het hebben van overzicht neemt vaak al een stuk onrust weg. En dat is ook wat waard.

woensdag 11 september 2013

Vrouw en ambt - wat gedachten op een rij

Toen ik het beleidsrapport M/V in de kerk integraal gelezen had, was mijn eerste reactie: tja. Niet omdat ik het een slecht rapport vond, want dat is het niet, maar omdat het naar mijn besef in stem en tegenstem vooral de patstelling in de discussie schetste en het gesprek niet werkelijk verder kwam.

Het meerderheidsrapport gaat uit van het grote culturele verschil tussen de tijd van de Bijbel en onze tijd en concludeert op basis van dat verschil dat het in onze tijd goed is dat vrouwen ook ambten mogen vervullen. Het minderheidsrapport neemt het uitgangspunt in de verhoudingen die God met de schepping heeft gegeven, zoals die via de Schrift tot ons komen en concludeert dat we in gehoorzaamheid aan God de ambten niet open mogen stellen voor vrouwen. Binnen hun eigen denkkader zijn beide uitkomsten consistent en bevredigend. Maar ze raken niet wezenlijk met elkaar in gesprek.

Mijn reactie ‘tja’ verwoordt vooral mijn eigen verlegenheid met het thema. Die verlegenheid heeft er mee te maken dat we vandaag, hoe je het ook wendt of keert, in een andere hermeneutische situatie verkeren dan vroeger. In het verleden was er op dit punt een eenheid van het leven: wat er in de Bijbel staat en wat je in het dagelijks leven om je heen ervaart komt overeen: de vrouw is ondergeschikt aan de man en heeft geen leidende positie in kerk en politiek. Zowel wat er in de Bijbel staat als de maatschappij-inrichting is geworteld in de schepping van God, in de natuur. Schrift en common sense zeggen dus hetzelfde.[1] Op dit punt vind ik dat het M/V-rapport te gemakkelijk over het scheppingsorde-argument van Paulus heen stapt.[2] Dat was voor hem niet zomaar een van de argument en, maar juist in dat argument komen Schrift en natuur samen en spreken ze met één mond.

Vandaag is die beleefde eenheid van het leven er hooguit nog in de uiterste rechterflank van de SGP, waar de vrouw zowel maatschappelijk als kerkelijk een duidelijk andere rol vervult dan de man. In de rest van (christelijk) Nederland is de dagelijkse ervaring dat vrouwen in allerlei leidinggevende functies prima functioneren en die taak minstens zo goed vervullen als mannen. De natuur en maatschappij leren ons dus dat man en vrouw, hoewel verschillend, volstrekt gelijkwaardig zijn. De eenheid in de ervaring van het leven is doorbroken, de Schrift congrueert op dit punt niet meer met de door ons ervaren werkelijkheid.

Dat de eenheid van het leven doorbroken is, is recent het duidelijkst naar voren gekomen in de discussie rondom de SGP-vrouw. Het standpunt daar, en bij veel orthodoxe christenen, is: de vrouw heeft leidinggevende capaciteiten, die mag ze overal inzetten, behalve in de kerk. De enige reden dat het in de kerk niet mag is een autoriteitsargument: omdat het in de Bijbel staat. Een besluit dus niet op basis van wat vrouwen al dan niet kunnen, maar op basis van een gebod dat vanuit de dagelijkse ervaring niet te onderbouwen is. Zoals ook uit dit recente artikel op cip.nl blijkt.  

Omdat de eenheid van het leven op dit punt er niet meer is, is het zo dat welke keuze je ook maakt, voor of tegen vrouwelijke ambtsdragers, het altijd een andere keuze is dan de keuze van de kerk der eeuwen. De kerk der eeuwen maakte haar keuze op basis van Schrift, natuur en common sense. Voor de kerk vandaag is het - gechargeerd gezegd - of de Schrift, of de ervaren werkelijkheid.

In een recent artikel[3] laat A.A.A. Prosman heel mooi zien hoe voor Calvijn op het punt van homoseksualiteit[4] natuur en Schrift één taal spraken. Zelfs zo dat de Schrift deze voorschriften geeft omdat ze overeenkomen met de natuur.[5] Prosman geeft aan dat die vanzelfsprekendheid in onze tijd weg is en stelt dan dat we daarom des te meer op de Schrift zijn aangewezen. Hij kiest in het bovengenoemde dilemma dus ondubbelzinnig voor de Schrift. Dat is op zich een legitieme keuze, maar hij gaat niet in op het ongemakkelijke van deze positie: we moeten namelijk geboden houden waarvan niet inzichtelijk gemaakt kan worden welk doel ze hebben. Op deze manier wordt het gezag van de Schrift wel heel formeel en komt min of meer los van de werkelijkheid te staan.  

Mijn punt is: welke weg je ook kiest: het is ten opzichte van het verleden altijd een nieuwe weg. Of je handhaaft de Schrift onverkort, met het risico dat het Schriftgezag ervaren wordt als ‘slikken of stikken’, of je gaat mee in culturele ontwikkelingen in de erkenning dat het gezag van de Schrift op een nieuwe manier ingevuld moet worden. In mijn ogen is het in elk geval niet mogelijk om de Schrift op dit punt te harmoniseren met de door ons ervaren werkelijkheid. Pogingen daartoe komen gewrongen over.[6]

Een patstelling dus: twee posities, beiden met een positieve en negatieve kant. Ik vind het lastig kiezen.

Een belangrijke schakel die verder zou kunnen helpen mis ik in het rapport. Namelijk een evaluatie van de vrouwenemancipatie. Is dat een ontwikkeling die we als christenen mogen toejuichen of die we moeten afwijzen? Is onze gelijkheidscultuur beter dan de patriarchale cultuur? Deze vraag moet m.i. beantwoord worden voordat je besluit om mee te gaan in onze huidige cultuur. In het rapport wordt naar mijn mening de cultuur teveel als een neutraal gegeven beschouwd.

Het rapport heeft veel aandacht voor het gegeven dat in de GKv (en ook de CGK) vrouwen tegenwoordig steeds meer taken uitvoeren, en dat ook goed doen, dan in een recent verleden. Ik heb het nagezocht, maar nergens in het rapport wordt het verband gelegd tussen deze ontwikkeling en het werk van de Geest. Opnieuw wordt de ontwikkeling in de richting van meer participatie van vrouwen als een neutraal gegeven beschouwd. De Geest komt in het rapport enkel aan de orde als het gaat om het hermeutische proces, de Geest die inzicht geeft in de Schrift. Maar kan het ook zijn dat een onderdeel van dat hermeneutische proces de veranderde werkelijkheid in de kerk is, waardoor we erachter komen dat de Geest zélf aan vrouwen gaven en verantwoordelijkheden geeft en dat de Geest zélf de vragen rondom vrouw en ambt aan ons opdringt? Ik neig er naar om deze vraag met ‘ja’ te beantwoorden. Waar vrouwen gaven krijgen en een roeping ontvangen, mag je dan als kerk weigeren om deze vrouwen hun plek te geven? Ik denk van niet. Niet in de eerste plaats omdat de cultuur veranderd is, maar vooral omdat de Geest die weg wijst.

In mijn ogen zal een benadering op basis van de Schrift alleen telkens weer op de boven geschetste patstelling uitlopen. We zullen het moeten doen met de leiding van de Geest, hoe spannend dat ook kan zijn.




[1] Wat dat betreft had het M-V-rapport nog wel iets scherper kunnen stellen dat het voor Paulus in zijn situatie onmogelijk was om iets anders te zeggen over de man vrouw verhouding dan hij zei. Een paar keer kreeg ik de indruk, en misschien was het inderdaad niet meer dan een indruk, dat volgens het rapport Paulus ook anders had kunnen beslissen, maar dat omwille van zijn missionaire drive niet deed.
[2] Pag. 24
[3] “Homoseksualiteit en Hermeneutiek”, in: Theologia Reformata, nr. 3 2013, 225-244.
[4] De hermeneutische vragen rondom dit andere hete hangijzer komen grotendeels overeen met de hermeneutische vragen rondom man en vrouw.
[5] “Daarmee zegt Calvijn dat de Wet niets anders bepaalt dan wat de natuur zelf al bepaald heeft”. Pag. 239
[6] Te denken valt aan de verwijzing naar Galaten 3:28. In de leefwereld van Paulus is er simpelweg geen tegenstelling tussen dat vers en zijn oproep aan vrouwen om zich te laten onderwijzen. Datzelfde geldt voor verwijzingen naar Deborah en Chulda. Zij zijn in de patriarchale wereld van het Oude Testament de uitzonderingen die de regel bevestigen. 

woensdag 15 februari 2012

Schepping en evolutie: mijn verhaal


In het Reformatorisch Dagblad van 15 februari 2012 staat een artikel van prof. dr. Benno A. Zuiddam, waarin hij aangeeft dat “Bijbelgetrouwe” (aanhalingstekens van hem) christenen de evolutietheorie te gemakkelijk omarmen. Voor Zuiddam is het duidelijk: “Wie de evolutietheorie omarmt, breekt feitelijk, dogmatisch en exegetisch met het historische christendom.

Van die stelling lig ik op zich niet wakker. Ik heb haar vaker gehoord en desondanks heb ik als orthodox gelovige geen moeite met de acceptatie van de evolutietheorie en de hoge ouderdom van het heelal. Maar ik vind het wel moeilijk dat nog steeds nieuwe generaties christenen belast worden met een tegenstelling tussen Schepping en Evolutie die onnodig is en uiteindelijk ook gevaarlijk is voor het geloof.

Daarom hieronder mijn verhaal over hoe ik er uiteindelijk van overtuigd ben geraakt dat Schepping en Evolutie elkaar niet tegenspreken.

Kindertijd: slikken of stikken.
Als jongetje van 10 jaar oud hield ik in de klas een spreekbeurt met de titel “kometen, sterren en planeten”. Ik vertelde mijn klasgenoten over de opbouw van het zonnestelsel, de verschillende planeten en de manen rond de verschillende planeten. Ook vertelde ik over de letterlijk astronomische afstanden die er in het heelal waren. Als cijfer voor die spreekbeurt kreeg ik een 10. Het thema voor de spreekbeurt had ik zelf bedacht.  Dit was iets waar ik de hele kinderafdeling van de plaatselijke bibliotheek op had nagelezen. Dit was iets waar ik mijn klasgenoten meer over wilde vertellen.

Ik vertel dit niet om te pochen, hoewel ik toen natuurlijk razend trots was op het hoge cijfer. Maar ik vertel dit om aan te geven dat ik al vroeg was gefascineerd door het immense heelal waarin we ons bevinden.

de bewuste atlas uit 1977
Op mijn zesde had ik de “Nieuwe Grote Wereldatlas” van mijn vader ontdekt. In de jaren die volgden heb ik die uitgebreid bestudeerd. Tot ik op een gegeven moment het eerste hoofdstuk ging lezen, over het zonnestelsel. Daar wilde ik meer van weten. En al snel las ik nergens anders meer over.

Het viel me op dat niet alleen de afstanden in het heelal astronomisch waren, maar dat ook de ouderdom van het heelal in astronomische getallen uitgedrukt werd. De samenhang tussen het meten van de afstand in lichtjaren en de ouderdom van het heelal had ik vrij snel door. Als het licht van een bepaald sterrenstelsel er 300.000 jaar over doet om ons te bereiken, dan moest het heelal dus ouder zijn dan de mij vertelde 6000 jaar.

Al snel had ik in de gaten dat de wetenschappelijke verklaring voor het ontstaan van alles niet alleen gebaseerd was op Darwins waarneming van evolutie, maar dat een heel scala aan wetenschappen in dezelfde richting wees: het heelal is oud, zeer oud.  

Als ik daar vragen over stelde in mijn omgeving dan kreeg ik steevast als antwoord: “evolutie is ook een geloof”. Daar kon ik het mee doen. Het was helder: Schepping is het ene geloof, Evolutie het andere, je moet kiezen tussen die twee. Of je aanvaardt de schepping, of je aanvaardt de evolutie. Het is slikken of stikken.

Zo leefde ik in twee gescheiden werelden. De ene wereld was die van mijn bibliotheekboeken, de andere was die van gezin, school en kerk. Televisie hadden we niet, internet was er nog niet. Ik heb er niet echt last van gehad en leefde vrij onbekommerd door als kind, maar vreemd was het wel.

Ik heb in die tijd ook wel wat oplossingen bedacht, maar die ook even snel weer verworpen. Bijvoorbeeld de oplossing dat God het heelal heeft geschapen als iets dat er oud uitziet, maar jong is. Leuk bedacht, vond ik zelf, maar zo’n God is een bedrieger, en daar geloof ik niet in. Oplossingen als "de zes dagen uit Genesis staan voor zes tijdperken" vond ik al even onzinnig. De aarde was in dat geval nog altijd voor de zon en de sterren geschapen, iets wat in de bibliotheekboekjes anders gezien werd.

Middelbare school: creationisme
creationisme is soms
behoorlijk fanatiek
Op de reformatorische middelbare school werd de evolutietheorie en het ontstaan van het heelal bij verschillende vakken behandeld. Naast de overdracht van kennis over die theorie werd steevast het creationisme als wetenschappelijk alternatief naar voren gebracht. 

Bij biologie kwam het er vooral op neer dat de zwakke plekken uit de evolutietheorie werden genoemd: het ontbreken van tussenvormen, het ontbreken van een verklaring voor het ontstaan van leven en zo nog wat argumenten. Er werden om zo te zeggen wat steentjes uit de muur van de evolutietheorie gepulkt om op die plek vervolgens een heel nieuw gebouw, het creationisme, op te trekken. Bij aardrijkskunde kwam uiteraard de zondvloed als oorzaak van de aardlagen naar voren. Ik kan me niet herinneren dat ik op het punt van het ontstaan van het heelal zinvolle argumenten heb gehoord.

Toch maakte ik aan het einde van de puberteit de keuze voor het jonge-aarde-creationisme. In die tijd leerde ik Jezus Christus als mijn verlosser kennen. En van verschillende kanten begreep ik dat het loslaten van de schepping in zes keer 24 uur uiteindelijk het loslaten van het geloof zou betekenen. Tja, en mijn Verlosser inruilen voor een wetenschappelijke theorie, ik zou wel gek zijn.

Voor mijn profielwerkstuk voor biologie heb ik zelfs het boek “Degeneratie, het einde van de evolutietheorie” van Peter Scheele verwerkt. En ik vond het prachtig. Mijn geloof was wetenschappelijk te bewijzen, wie maakte me nog wat?

Beginnende twijfel
Toch heb ik nu achteraf het gevoel dat ik het vooral graag wilde geloven, maar dat ik het diep van binnen nooit echt geloofd heb. Ik werd vooral aan het denken gezet door mensen die ik eigenlijk in het kamp creationist had geplaatst, maar die daar niet in bleken te passen: C.S. Lewis en A. van den Beukel. Van beide sprak de verdediging van het geloof een het bekritiseren van de atheïstische wetenschap me erg aan. Maar beiden hadden ook ideeën over het begin van de bijbel die ik niet kon plaatsen. Zo beweerde Van den Beukel dat Genesis zichzelf in de eerste twee hoofdstukken tegensprak. Ik vond dat ongehoord en kan me nog herinneren dat ik Genesis 1 en 2 in de Statenvertaling en vertaling van ’51 naast elkaar legde, om vervolgens te concluderen dat de Statenvertaling beter was. Daarin werden de verschillen namelijk grotendeels wegvertaald.

En Lewis stelde plompverloren dat het waarschijnlijk was dat de mens in biologische zin van de apen afstamde. Voor mij een brug te ver.

De universiteit: eindelijk verzoening
Pas tijdens mijn studie theologie ging het lichtje langzaam aan. Ik verwierf enige kennis over scheppingsmythen uit de Umwelt, de ouderdom van de Israel omringende beschavingen (ouder dan de zondvloed volgens bijbelse tijdrekening) en enige kennis van literaire genres. In een tijd van ongeveer twee jaar was ik om.

Mijn mening is nu dat Genesis 1-11 wel degelijk over het begin van de wereld gaat maar daar in symbolische taal over spreekt. Wat toen gebeurd is, is niet op een manier beschreven die ‘zintuiglijk waarneembaar’ is, maar op een profetische manier. In beeldtaal dus. Een soort apocalyps van het verleden.

Het begin van de bijbel kan ik nu lezen als een theologische verhandeling over het begin. Over een God die de wereld heeft gemaakt, de mens die er niet toevallig is, maar gewild is. Over de breuk die er gekomen is toen de mens boven zijn macht wilde uitgrijpen.

De evolutietheorie en de kosmologie kan ik accepteren als wetenschappelijke verklaring voor het ontstaan van het heelal, de aarde en de mens. Hoewel ik daar niet alles van begrijp, ik ben geen wetenschapper, klinkt het mij nog altijd het meest plausibel in de oren. Stukken plausibeler dan het jonge-aarde-creationisme.

Ik zou blij zijn als een nieuwe generatie christenen niet meer belast wordt met verkeerde tegenstellingen en onjuiste antwoorden. Dat ze leren dat God zich op twee manieren openbaart: in de natuur en in de Heilige Schrift. En dat ze niet bang hoeven zijn voor de kennis die we uit de natuur opdoen. Als deze blog daar een beetje aan bijdraagt ben ik tevreden. 

Meer lezen?

dinsdag 19 juli 2011

Is letterlijk hetzelfde als waar gebeurd?

Veel mensen die zeggen dat ze de Bijbel letterlijk nemen, bedoelen eigenlijk te zeggen dat alles wat zich in de Bijbel als historisch aandient, ook historisch is. ‘Ik lees het gewoon zo als het er staat’, is een veelgehoorde uitspraak. Op zichzelf een loffelijk streven, een streven dat laat zien dat men de Bijbel als Gods woord recht wil doen.

In veel gevallen lukt de gelijkschakeling van letterlijk en historisch behoorlijk goed. In de verdediging van de historiciteit van Genesis 1, bijvoorbeeld, is het prima te verdedigen dat de zes dagen echte dagen zijn en dat God de wereld dus in zes dagen geschapen heeft. Mijn logica komt daartegen niet in opstand en het is dus een goed te verdedigen opvatting.

Soms echter leidt het letterlijk lezen tot problemen voor de strikt historische opvatting. Bijvoorbeeld in Genesis 6, als het gaat om wie er in vers 2 worden bedoeld met de godenzonen.

De zonen van de goden zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren, en ze kozen uit hen de vrouwen die ze maar wilden.

Wie zijn de godenzonen?

Als ik Genesis 6:2 gewoon letterlijk lees, dan lees ik over godenzonen die verliefd worden op mensendochters. Het gaat hier om twee soorten wezens die beide in dezelfde grammaticale constructie worden neergeschreven: Zonen van God (bnej-haelohim) en dochters van de mens (bat-haadam).  Dochters van de mens komen enkel in dit Bijbelgedeelte voor. Voor de zonen van God zijn er meer Bijbelgedeelten voorhanden.

In Job 38:7 gaat het om wezens die er al bij het begin van de schepping bij waren. Ik krijg de indruk dat het om een soort engelen gaat.

In Job 1:6 gaat het om wezens die zich voor God stellen, onder wie zich ook de Satan bevindt. De godenzonen in dit gedeelte lijken dus zowel de goede als de gevallen engelen te omvatten.

Als we het even tot de Bijbel beperken, gaat het in deze uitdrukking dus om een soort engelenraad die zich om de troon van God bevindt (Psalm 29:1; 89:7-8).

Lees ik Genesis 6:1-4 vervolgens letterlijk, dan zie ik hemelse mannelijke wezens (mogelijk engelen) die verliefd worden op menselijke vrouwen. Uit die huwelijken worden nefilim (reuzen) geboren (cf. Num. 13:33). Geweldig sterke mannen uit voorbije tijden. God ziet dat als hoogmoed en besluit de mensen te straffen. De mens zal voortaan niet ouder worden dan 120 jaar. 

Deze uitleg is heel lang gangbaar geweest. Bijvoorbeeld in de hervertelling van deze geschiedenis in het boek 1 Henoch (ca. 200 voor Christus). Maar ook vroege kerkvaders legden dit verhaal zo uit.

Het probleem als letterlijk historisch wordt

Deze letterlijke lezing wordt echter problematisch als je het ook echt als waar gebeurd wil zien. Engelen die gemeenschap hebben met vrouwen? Dat past niet in het beeld dat we van engelen hebben.

Daarom wordt in kringen die de Bijbel strikt historisch willen lezen deze tekst als volgt uitgelegd: de zonen van God zijn de kinderen van Seth, de gelovige lijn van de mensheid. De dochters van de mens zijn de kinderen van Kaïn, de ongelovige lijn van de mensheid.  Op een gegeven moment hebben die twee zich met elkaar vermengd zodat alle ware godsdienst van de aarde verdween.[1]

Maar deze exegese roept bij mij wel vragen naar boven.

  • Zou het echt zo zijn dat er uit de lijn van Seth enkel mannen en uit de lijn van Kaïn enkel vrouwen bij betrokken waren? Zo niet, waarom wordt dan niet in beide gevallen het woord 'ben' (zoon) gebruikt?
  • Waar komen volgens deze visie de reuzen vandaan? Gewoon uit mensenhuwelijken?
  • Maar het belangrijkste bezwaar is dat bnej-haelohim in het Oude Testament nergens voor mensen gebruikt wordt. Dat gebeurt pas in het Nieuwe Testament (Rom. 8). Het gaat overal in het OT om goddelijke wezens.

Conclusie

Bij deze ‘historische’ lezing moet er zo veel aan de tekst geknutseld worden dat niet meer te verdedigen is dat je gewoon leest zoals het er staat. Sterker nog: om de historiciteit vast te houden leest men niet-letterlijk.

Mijn eigen positie? Ik lees letterlijk, en dus in dit geval niet-historisch. 


[1] Zie o.a. de kanttekeningen op de StatenVertaling, Matthew Henry en de Korte Verklaring.