Mijn blog van vorige week die ik, enigszins gewijzigd, ook
heb gepubliceerd in het RD en ND, heeft de nodige reacties opgeleverd. Twee
grote opiniestukken in het ND en RD, afkomstig van voormannen van Christenen
voor Israël zelf. Daarnaast een aantal reacties onder m’n blog, mails en zelfs
telefoontjes. Verschillende mensen vroegen mij om in te gaan op de kritiek. Nu
had ik daar in eerste instantie weinig zin in omdat uit de artikelen van Henk
Poot in het ND en vooral die van Willem Glashouwer in het RD bleek dat men niet inhoudelijk inging
op de kritiek, maar het eigen standpunt herhaalde. Wat dat betreft is de
opmerking van Piet Houtman terecht:
@WdeBruin83 De standpunten staan vast. Argumenteren helpt niet. Soort godsdienstgesprek. Om toehoorders partij te laten kiezen.— Piet Houtman (@piethoutman) 9 april 2016
Voor die toehoorders die daar om gevraagd hebben wil ik wel een nadere
toelichting geven op hoe ik de Schrift lees.
De herleving van de doodsbeenderen
Willem Glashouwer haalt een aardige retorische truc uit door
te stellen dat dominees over het algemeen over het visioen van de
doodsbeenderen preken alsof het zou gaan over de opstanding der doden, of om de
wedergeboorte. Door zo te beginnen lijkt het net alsof ik er ook zo over zou
preken. Maar het zou niet eens in me opkomen. Als dát wordt bedoeld met
vergeestelijken, dan ben ik ook tegen vergeestelijken. Want dat heeft inderdaad
niks met exegese te maken.
Ezechiël 37 gaat over het volk van Israël in de Babylonische
ballingschap (tussen 586 en 539 voor Christus). Ezechiël werkte specifiek onder
de – relatief kleine – groep Joden in Babel. Hij preekte niet in Jeruzalem. De
sfeer onder de gelovige Joden in Babel was dieptreurig. Lees alleen psalm 137
maar om onder de indruk te komen van die treurnis. Diezelfde hopeloosheid wordt
weerspiegeld in Ezechiël 37,11:
onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.
De
beenderen die Ezechiël in vers 1 van zijn visioen ziet liggen duiden op die
hopeloosheid: afgesneden van het land, de tempel, van God… Een volk ten dode
opgeschreven.
En in die context komt Ezechiël aan met een ongelooflijke
boodschap van hoop. De boodschap dat ze terug mogen naar Israël, dat God de
scheiding tussen Efraïm (tienstammenrijk) en Juda (tweestammenrijk) zal
opheffen. Dat God hun zonden zal vergeven. Dat God hen zal reinigen zodat ze
een op een nieuwe manier Hem dienen. Dat God hen zal regeren via een nieuwe
David. En dat Gods tempel voor eeuwig in hun midden zal staan (Ezechiël
37:15-28).
Op het moment dat die dingen in vervulling zullen beginnen
te gaan en de eerste tekenen ervan zichtbaar worden zullen de Joden weer hoop
krijgen.
Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen. Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. (Ezechiël 37:13-14)
Dus op het moment dat de boodschap komt dat Israël terug mag
uit Babylon naar Israël keert de hoop terug. Gods levengevende adem (Geest)
komt in zijn volk en vervolgens gaan ze terug naar het land.
Het visioen van Ezechiël laat zich dus niet lezen als een tweefasenplan: eerst een terugkeer van de Joden naar Israël (weerspiegeld in het zich aaneensluiten van de beenderen), en dan vervolgens een geestelijke vernieuwing als de Joden in Israël zijn aangekomen (weerspiegeld in de wind die in de doden blaast). Ezechiël 37:13 en 14 laat duidelijk zien dat het om één gebeurtenis gaat: hopeloze Joden die weer hoop krijgen en terug mogen naar hun land.
De komst van de Koning
Ik schreef bewust: op het moment dat deze dingen in
vervulling beginnen te gaan zal
Israël weer hoop krijgen. Want de Joden zijn teruggegaan naar Israël, de tempel
is herbouwd door een nakomeling van David (Zerubbabel), Israël vormt weer een
politieke eenheid, en de afgoden zijn afgezworen maar verder is het allemaal
nogal kwetsbaar. Het grote slotakkoord van Ezechiël 37 waarin staat dat David
voor altijd koning is en God voor altijd in hun midden woont, dat is allemaal
geëindigd in een behoorlijke teleurstelling. Israël blijft verlangen naar Gods
terugkeer en de heerschappij van een zoon van David (de Messias).
En het is precies die terugkeer van God naar zijn volk in zijn
gezalfde Koning (de Messias) waar het Nieuwe Testament mee begint. Marcus
begint zijn Vreugdeboodschap (evangelie) met de vreugdebode die aankondigt dat
God eraan komt. Het woord evangelie herinnert aan Jesaja 40:9 waar de
vreugdebode zegt: “Ziehier, jullie God, hij komt eraan, als een goede herder
zal hij zijn kudde weiden!” En dat is waar de evangeliën over gaan: God, die
weer bij zijn volk komt wonen. Johannes de Doper wordt met de volgende woorden
geïntroduceerd:
Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen. Luid klinkt een stem in de woestijn: maak de weg van de Heer gereed, maakt recht zijn paden. (Marc. 1:2-3)
Deze tekst is een verwijzing naar Maleachi 3:1 waar Gods
terugkeer naar zijn tempel wordt aangekondigd én een verwijzing naar Jesaja 40:3
waar Gods terugkeer naar Israël wordt aangekondigd. Beide teksten gaan in
vervulling waar Jezus verschijnt. In Jezus is God gearriveerd en gaat Zijn
koningschap beginnen.
Dat is zichtbaar in de gebeurtenissen die volgen: Johannes
doopt alle (Marc. 1:5!) Joden als teken van de reiniging van de zonde (Ez.
37:23). En dat al onder verwijzing naar de doop met de heilige Geest (Marc.
1:8; Ez. 36:26). Jezus roept twaalf mannen, het aantal stammen van Israël, om
daarmee de eenheid van Gods vernieuwde volk te benadrukken (Ez. 37:19). En
uiteindelijk wordt hij als Zoon van David binnengehaald in Jeruzalem (Marc. 11:10; Ez.
37:25). En daar wordt hij als Koning verhoogd aan het kruis (Joh. 12:32; Joh.
19:19). En precies dat is de manier waarop hij voor eeuwig Koning van Israël is
geworden. En ik zeg hier bewust van Israël.
Want dat is de manier waarop de apostelen de dood en opstanding van Jezus verstonden.
Hij werd met zijn opstanding geen Heer van de gemeente, en pas na een hele lange
tijd ook nog koning van Israël. Maar met zijn opstanding werd hij direct koning
van Israël en Heer van de wereld. Lees bijvoorbeeld Handelingen 5,30-31:
De God van onze voorouders heeft Jezus weer tot leven gewekt, nadat u hem had vermoord door hem aan een kruishout te hangen. God heeft hem een plaats gegeven aan zijn rechterhand, hem tot leidsman en redder verheven om de Israëlieten tot inkeer te brengen en hun zonden te vergeven.
De rechterhand is de plaats van de troonopvolger, een
koninklijke plek. Leidsman is een andere term voor Messias (bv. Hand. 2:36).
Jezus is de Messias van het vernieuwde Israël geworden toen hij stierf en
opstond. Ik kan het niet anders lezen.
En de tempel dan?
Ezechiël 37:28 eindigt met een heiligdom dat er voor altijd
zal staan. Hoe zien we dat in Jezus terug? Het Nieuwe Testament probeert ons
steeds weer te vertellen dat Jezus de functie van de tempel overneemt. Het
duidelijkst gebeurt dat misschien wel in Johannes 2:13-22, in de beschrijving
die Johannes geeft van de tempelreiniging. Jezus noemt zijn dood en opstanding
daar de afbraak en de wederopbouw van de tempel. Zijn dood en opstanding doen
dat waar de tempel oorspronkelijk voor bedoeld was: God en de mensen bij elkaar
brengen. Volgens Ezechiël zou de tempel het eeuwige kenmerk zijn van Gods
aanwezigheid bij zijn volk. Volgens het Nieuwe Testament is het Lam het teken
van Gods eeuwige aanwezigheid bij zijn volk (Opb. 21:22). Dat is geen
letterlijke vervulling van Ezechiël, maar ik ben zo vrij te veronderstellen dat
Ezechiël er best blij mee geweest zou zijn.
(Later deze week mogelijk meer over de lezing van de
eindtijdrede van Jezus in Mattteus 24. Hangt er vanaf of ik nog wat tijd heb. Verder zal de geschoolde lezer merken dat ik nogal wat van N.T. Wright overneem, daar schaam ik me niet voor :-))


