Posts tonen met het label Actueel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Actueel. Alle posts tonen

dinsdag 25 augustus 2020

Een kerk die niet moet

“Ik probeer alle artikelen waarin de combinatie van “kerk” en “moet” staat niet te lezen. Het zuigt je leeg... postte ik onder een bericht van een collega die verwoordde dat de kerk in coronatijd ook weer zo veel moet.

Nog tijdens de eerste schok die corona teweeg bracht kwamen er allerlei berichten voorbij waarin mensen vonden dat “de kerk” “juist nu” “moet” en dan volgde er iets van huisgodsdienst/kleine groepen/omzien naar elkaar/de samenleving in/relevant zijn.

Ook in het niet-coronatijdperk regent het trouwens van zulke berichten. Meermalen heb ik zelfs overwogen om mijn abonnement bij het Nederlands Dagblad op te zeggen. Terwijl ik het een heerlijke krant vind wat nieuws en achtergrond betreft, frustreert het kerknieuws me elke week wel een paar keer. Omdat de kerk zoveel moet. Bij mij als dominee zorgen zulke berichten bijna altijd voor schuldgevoel en vrijwel nooit voor enthousiasme. Omdat de kerken die ik dien in de praktijk overspannen clubjes zijn, waarin een krimpende groep mensen een groeiend aantal taken verricht. Een kleine inventarisatie in eigen gemeente leert dat in onze gemeente van zo’n 220 leden er 140 opgeschreven taken zijn, en nog een onbekend aantal kleinere onbeschreven taken.

Daarbij komt dat de kerk door de doorgaande krimp in een soort stress-toestand zit: de krimp moet toch een oorzaak hebben, en met de juiste aanpak moeten we wel weer groeien. Met als gevolg dat er steeds meer hoge idealen aan het kerk-zijn worden gehangen, met bijbehorende hoge eisen qua gemeenschapsleven, missionair zijn en discipelschap. Met als grootste gemene deler dat de kerk relevant moet zijn. De kerk moet van alles, alleen is er vrijwel niemand die nog meer kan doen.

De afgelopen weken ben ik in eigen gemeente meerdere mensen tegengekomen die opbiechtten dat ze het heerlijk vinden dat de kerk even op een heel laag pitje staat. Even geen kindernevendienst leiden, even niet de druk om kringen te bezoeken, even niks anders dan eens per week de livestream aanzetten…

De coronacrisis als moment om geestelijk even op adem te komen dus. Een kerkzijn dat even uit niets anders bestaat dan wekelijks een dienst volgen. Een soort sabbatsjaar voor de kerk.

Want de realiteit van de kerk is dat ze bevolkt wordt door mensen die drukke levens hebben. Mensen met anderhalf tot twee banen om de hypotheek te kunnen betalen. Gewone banen, zoals in het onderwijs, die ook in de avond nog heel wat uren vergen. Gezinnen met kinderen die nog wat sporten en een sociaal leven proberen te hebben.  

Richting een kerk die bestaat uit gewone iets te drukke mensen die in hun beperkte vrije tijd ook nog een taak in de kerk hebben steeds een boodschap uit te zenden dat de kerk meer “moet” is onbarmhartig. De kerk moet namelijk helemaal niks. De kerk moet zelfs niet relevant zijn. Een van de mooiste metaforen van de kerk in het Nieuwe Testament is die van de bruid. Geliefd door de bruidegom. Omdat ze gered is en gereinigd en daarom mooi en goed in zijn ogen. Wie heeft eigenlijk bedacht dat deze bruid relevant moet zijn? Een huisvrouw moet misschien relevant zijn en wordt mogelijk afgerekend op haar huishoudelijke taken. Maar een bruid is geliefd en mooi in de ogen van de bruidegom. Haar enige relevantie is dat ze er is en dat ze geliefd is.  

donderdag 31 mei 2018

Vrouw en ambt (reloaded)


Als je een tijdje de discussie over vrouwelijke ambtsdragers volgt word je vanzelf vrouw-en-ambt-moe. Ik tenminste wel. Een tijdlang werd de opiniepagina van het Nederlands Dagblad bezet door een wat vruchteloze herhaling van zetten. Dat komt doordat de discussie zich vaak op twee niveaus afspeelt: een exegetische en een hermeneutische.

De exegetische discussie spitst zich toe op de ‘zwijgteksten’. Afhankelijk van hoe woordbetekenissen en achterliggende historische situaties gereconstrueerd worden komt men tot een conclusie of de bijbel vrouwelijke ambtsdragers verbiedt of niet.

De hermeneutische discussie gaat een stap verder en stelt de vraag: op welke wijze kunnen wij in onze tijd de Bijbelse voorschriften toepassen, nu de verhouding tussen man en vrouw zo veranderd is? Vaak leidt deze hermeneutische redenering tot de opvatting dat we vandaag inderdaad ruimte moeten geven aan vrouwelijke ambtsdragers. Tegenstanders vinden dit een te makkelijke manier om je aan het gezag van de Bijbel te ontworstelen. In sommige kringen is ‘nieuwe hermeneutiek’ zelfs een woord geworden voor alles wat niet deugt in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.

In zijn nieuwste boek ‘Meedenken met Paulus’ kiest dr. Bert Loonstra voor de theologische insteek.
In de discussie rondom vrouwelijke ambtsdragers gaat het namelijk om concrete voorschriften van Paulus die hij soms ook op het Oude Testament (de wet) baseert. Loonstra stelt de terechte vraag welke plaats concrete voorschriften in Paulus’ theologie innemen, zeker wanneer hij zich in die voorschriften ook nog eens beroept op de wet uit het Oude Testament. Op een rustige manier legt hij de grondstructuur van het denken van Paulus bloot. Daarbij beschrijft hij vooral hoe God, Christus en de Geest zich in uitspraken van Paulus tot de wet verhouden. De conclusie van Loonstra is dat voor Paulus de wet als uiterlijke knechtende instantie sinds Christus en de Geest voorbij is. De grond voor die opvatting vindt hij bv 2 Korinte 3:6-7 “de letter doodt maar de Geest maakt levend” en Romeinen 7:6 “we dienen niet meer de oude orde van de wet, maar in de nieuwe orde van de Geest”. Loonstra hanteert deze teksten niet als losse bewijsteksten, maar als onderdeel van een uitgewerkte theologie van Paulus, waarin ook het kind-zijn in plaats van slaaf-zijn en daarmee de rol van de christelijke vrijheid aan de orde komen.

Dan komt wel de vraag op hoe het komt dat Paulus zelf nog concrete voorschriften geeft en die soms onderbouwt vanuit de wet. Loonstra komt tot de conclusie dat Paulus positief teruggrijpt op de wet als die teksten een expressie vormen van Gods bevrijdende liefde. Inhoudelijk staan ze dus altijd in het kader van het evangelie. Ook de geschreven wet staat bij Paulus uiteindelijk in dienst van het evangelie en heerst niet over het evangelie.

Voor wie meer van Loonstra gelezen heeft zijn deze denklijnen niet nieuw. Al in zijn boek ‘Zo goed en zo kwaad’ uit 2000 denkt hij uitgebreid na over de rol van de wet bij Paulus. Ook in zijn artikel in juni 2010 over ‘goede werken doen’ in Theologia Reformata vinden we dezelfde denklijnen. Daar is ook duidelijk dat hij veel van zijn gedachten ontleent aan het zogenaamde 'nieuwe perspectief op Paulus'. Op een onderbouwde manier neemt hij exegetische perspectieven uit die beweging mee in zijn lezing van Paulus. Het huidige boekje vind ik een rijp product van jarenlange bezinning op ethische uitspraken bij Paulus. Vandaar dat zijn uiteindelijke toepassing op vrouwelijke ambtsdragers niet in de lucht hangt, maar ingebed is in een betrokken lezen van Paulus. De conclusie is even helder als lastig: als het gaat om het leven als christen moeten we Paulus niet napraten, maar we moeten leren denken als Paulus. Dat geeft uitdaging genoeg. Het is overigens knap dat hij dit alles in slechts ruim 100 pagina's weet op te schrijven. 

Dat deze insteek van Loonstra nodig is ervoer ik gisteren toen ik in de bundel ‘zonen & dochters profeteren’ waar ik overigens zelf aan bijgedragen heb, het gedeelte over 1 Timoteus 2:9-15 las. Het was een plausibele exegetische reconstructie. Maar toch, er werd wel veel verondersteld, en dat is zo in elke exegese die ik van dit gedeelte heb gelezen. Als we de discussie alleen op exegetisch niveau voeren dan gaan op een gegeven moment de stemmen staken. We hebben er te weinig zekerheid over. De benadering van Loonstra biedt m.i. meer mogelijkheden om als christelijke gemeente vandaag een weg te vinden in ethische en praktische vraagstukken.

Overigens blijft daarbij het nauwkeurig lezen van de Bijbel en ook van Paulus’ voorschriften van belang. En om nog even reclame te maken: gisteren viel bij mij een bijbelstudieboekje op de mat dat de opbrengst van ‘zonen en dochters profeteren’ in 4 compacte hoofdstukken samenvat en begrijpelijk bespreekt. Het boekje heet ‘Samen met de vrouwen’ en bevat gespreksvragen en stellingen. Geschikt materiaal voor een gesprekskring. Zeker als in jouw gemeente dit thema erg speelt is dit de moeite waard. Let dan wel op dat dit boekje geschreven is door voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers. Dat kleurt ongetwijfeld de studies.

Ik merk in de praktijk dat veel christenen, vooral in de GKV waar het gesprek nu actueel is, wel gebaat zijn met enig overzicht in de discussie. Zonder dat er meteen een positie wordt ingenomen. De discussie is gelaagd en complex, en al te gauw wordt er met scherp op elkaar geschoten. Het zou mooi zijn als eens iemand de tijd zou hebben om een soort inleiding in deze discussie te geven. Het hebben van overzicht neemt vaak al een stuk onrust weg. En dat is ook wat waard.

zaterdag 14 oktober 2017

Over de GTU en kerkelijke eenheid

Het Nieuwe Testament ken slechts één kerk. Dat is een principieel gegeven. Er kan maar één kerk zijn omdat er één Heer is. De nieuwtestamentische kerkleer is stevig verankerd in de leer over Christus. Met zijn bloed heeft Hij voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, en Hij heeft daar voor God één koninkrijk uit gevormd (Opb. 5:9-10). De eenheid is ook urgent. Dat blijkt uit het gegeven dat vrijwel alle brieven van Paulus gaan over het bewaren van de eenheid. Steeds wordt de roep om eenheid gefundeerd in het evangelie: jullie hebben één Heer, jullie zijn allemaal door zijn ene offer gered én tot een eenheid gevormd en geroepen. Er ligt dus een rechtstreekse lijn tussen de juiste beleving van het evangelie en de roeping tot eenheid.

De vroege kerk heeft de principiële eenheid van de kerk vastgelegd in belijdenissen. De duidelijkste belijdenis is die van Nicea die van de kerk zegt: zij is één, heilig, katholiek en apostolisch. Vier woorden die elkaar wederzijds aanvullen en het beeld schetsen van een gemeenschap die geroepen is uit de wereld (heilig), gefundeerd op het apostolisch onderwijs aangaande Christus (apostolisch), tijd- en plaatsoverstijgend (katholiek) en daarom principieel één. Er kunnen niet meerdere heilige, katholieke, apostolische kerken zijn. De eenheid van de kerk zit in het hart van haar identiteit. En dat komt doordat de ene Heer in het hart van haar identiteit staat.

Sinds de eerste kerkscheuringen bestaat er iets wat principieel niet kan bestaan: meerdere kerken. Er zijn conflicten in het lichaam van Christus zo uit de hand gelopen dat het gevolg is dat christenen elkaar wederzijds hebben uitgesloten van het lichaam van Christus. Geen van de kerken heeft de eenheid bewaard en daarom kan geen van de kerken zich katholiek noemen, alle kerken zijn afgeweken van het apostolische onderwijs (die de eenheid van de kerk veronderstelt) en de heiligheid van de kerk, die erin bestaat dat ze het ene volk van God is, bestaat niet meer.

De huidige kerkelijke situatie laat zich daarom het best typeren als een Babylonische ballingschap: weg uit het beloofde land vanwege onze zonde. En de huidige kerkverbanden hebben alleen bestaansrecht als zij zichzelf zien als een noodverband: een tijdelijk verband van kerken om in de ballingschap te overleven totdat de eenheid weer teruggevonden is. Kerkverbanden ontlenen hun identiteit dus aan de diepe wens om zichzelf te kunnen opheffen bij het opgaan in een groter geheel.
Dit geldt dus ook voor een gereformeerde kerk die voluit kerk wil zijn. De vier elementen van Nicea zijn het hart van haar identiteit, en met vreugde zal zo’n gereformeerde kerk alles wat niet tot dat hart behoort prijsgeven vanwege eenheid met andere kerken.

Hoe verdrietig anders is de huidige opstelling van de Christelijke Gereformeerde Kerken, waar ik toe behoor. Met schaamte schrijf ik erover omdat het lijkt alsof de beleving van kerkverband als noodverband helemaal weg is ten gunste van een beleving waarbij het ‘eigene’ van de CGK wordt benadrukt als iets dat beschermd moet worden tegen anderen. Het negatieve besluit van de synode over de Gereformeerde Theologische Universiteit (GTU) is formeel niet genomen vanwege deze eigenheid. Maar in de wandelgangen speelt het een grote rol. Opvallend is dat de synode geen hand meer uitsteekt naar de partners in deze samenwerking om een andere weg te vinden om de opleiding samen te doen.

Nu is er met iets eigens als zodanig niks mis. Maar de CGK is het eigene gaan koesteren als iets dat tot het hart van haar identiteit behoort en dat tegen het samengaan met andere kerken beschermd moet worden. En daarmee is het kerkverband een principiële grens overgegaan. Niet de vier elementen van Nicea vormen het hart van haar identiteit, maar er is iets bijgekomen dat als een koekoeksjong de andere dingen uit het nest dreigt te werpen.

Het duidelijkst is dat zichtbaar in het synodebesluit over de afvaardiging van niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers naar de classis. In dat besluit is binnenkerkelijke eenheid tot een zelfstandig principe verheven. Dus kerkelijke eenheid (waar binnenkerkelijke eenheid uiteraard onderdeel van is) is niet het enige principe, maar er is een tweede principe bijgekomen, binnenkerkelijke eenheid, dat nu op papier evenveel gewicht krijgt als kerkelijke eenheid. De gevolgen van die stap zijn direct zichtbaar geworden. De synode is in de besluitvorming over dit aangelegen punt namelijk over ‘botsende principes’ gaan spreken. Dus het principe binnenkerkelijke eenheid ‘botst’ nu met het principe kerkelijke eenheid. En op basis daarvan wordt een besluit genomen over de samenwerking met andere kerken dat maar één kant kan opvallen, namelijk: de rem er op. In de praktijk blijkt binnenkerkelijke eenheid zwaarder te wegen dan kerkelijke eenheid. Vanaf nu kan elke minderheid die zicht bezwaard voelt door eenheid met andere kerken zich op de binnenkerkelijke eenheid beroepen en het samenwerkingsproces blijvend onder druk zetten.

Hier gebeurt iets wat principieel onjuist is. Als we namelijk belijden dat de kerk één, heilig, apostolisch en katholiek is, dan is er maar één eenheid. Die van de kerk. Als je constateert dat de eenheid met andere kerken een principiële zaak is (zoals de synode terecht doet), dan hebben mensen die daar moeite mee hebben een geestelijk probleem, en dáár moet wat aan gedaan worden. Maar als je van binnenkerkelijke eenheid een apart principe maakt ontstaat er ruimte om die ongeestelijke moeite blijvend een reden te laten zijn om de samenwerking met andere kerken tegen te houden.

In de kerkelijke eenheid gaat het uiteindelijk om de eenheid van Christus. De dringende vraag aan de CGK is nu: zijn we bereid om Zijn eenheid het hart van onze identiteit te laten uitmaken?

Naschrift: ik kreeg van verscheidene kanten de reactie dat 'wandelgangen' als basis voor mijn opvatting over het GTU-besluit van de christelijk-gereformeerde synode niet zo stevig is. Omdat het complete besluit nog niet gepubliceerd is, en de bespreking achter gesloten deuren was, kan ik inderdaad niet volledig en in alle nuance overzien wat de werkelijke reden voor dit besluit is geweest, en bestaat de kans dat ik de broeders ter synode geen recht heb gedaan. Wat ik schrijf over de wijze waarop de CGK omgaan met de 'eigenheid' en binnenkerkelijke eenheid is iets waar ik nog steeds achter sta, maar de link met het GTU-besluit is te voorbarig geweest.

N.b. over het besluit om niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers niet naar de classis af te vaardigen schreef ik al eerder.

donderdag 31 maart 2016

Leven in een apocalyptisch scenario - over Christenen voor Israël en Koen Carlier

Wat beweegt een Vlaming om met tomeloze energie half Oekraïne door te reizen op zoek naar (half)joden om die vervolgens naar Israël te laten emigreren? En dat in gesprekken die gepaard gaan met hele waarheden (in Oekraïne is het slecht), halve waarheden (in Israël is het veel beter) en hele leugens (in Duitsland worden nog altijd Joden vervolgd). Dat is de vraag die me bezighoudt sinds ik dinsdagavond de documentaire ‘breng de joden thuis’ zag. Die documentaire volgt Koen Carlier die in een busje van Jood tot Jood gaat om hen te bewegen naar Israël af te reizen. Nu was ik al enigszins op de hoogte van de theologie van Christenen voor Israël, maar de werkelijkheid die daaraan ontspruit blijkt toch weer vreemder te zijn dan ik in mijn beperkte fantasie had kunnen denken (zie de blog van Alain Verheij).

Dadendrang 

Koen Carlier
Als je de documentaire kijkt zul je ontdekken dat Carlier, en vele anderen, in een behoorlijk nauwkeurig apocalyptisch scenario leven. Dat ziet er zo uit: in 1948 heeft God de staat Israël gesticht, nu is de tijd gekomen dat God zijn volk opnieuw zal verzamelen in Israël, als dat gebeurd is zal de Messias komen en zal heel Israël in hem geloven, en dan breekt de heilstijd aan. 

Volgens mij is het leven in zo’n apocalyptisch script precies dat wat leidt tot zo enorm veel dadendrang. Er is een duidelijk einddoel (een heilstaat) en een duidelijke weg daarnaartoe (breng de Joden thuis), dat zorgt voor een effectieve manier om energie bij mensen los te maken. Ongeveer zoals het apocalyptische scenario van Greenpeace (de wereld vergaat door klimaatverandering), gecombineerd met een duidelijke remedie (alle kolencentrales moeten sluiten) zorgen voor een krachtige campagne en een helder toekomstbeeld (de wereld kolenrein). Of zoals het apocalyptische script van ISIS een helder einddoel (de Islamitische heilsstaat) combineert met een duidelijke route (dood aan alle ongelovigen) en zo duizenden jongeren mobiliseert om met wapens een vrederijk te vestigen. Nu lijkt mij het scenario van Greenpeace het meest waarschijnlijk en dat van ISIS het meest gevaarlijk, maar alle drie de scenario's hebben gemeen dat onze tijd niet zomaar een tijd is, maar een beslissende tijd, en dat we ons met hart en ziel moeten inzetten om de grote toekomst te verwezenlijken.

Nu kan ik van alles inbrengen tegen het toekomstbeeld van Christenen voor Israël, ik heb dat eerder ook al wel gedaan. Te denken valt aan het merkwaardige feit dat het Nieuwe Testament zelf geen tweede terugkeer uit de ballingschap meer verwacht maar de gebeurtenissen rondom Jezus ziet als de voltooiing van die terugkeer (denk alleen aan de nieuwe intocht van Gods volk in Kanaän bij de doop in de Jordaan). Ik kan erop wijzen dat alle details van Jezus’ eschatologische rede (Mat. 24par.) betrekking hebben op Jezus’ dood en opstanding en de verwoesting van Jeruzalem in het jaar ’70, en dat we volgens die hoofdstukken alleen nog de komst van de Heer in heerlijkheid te verwachten hebben. Ik kan erop wijzen dat Paulus in Romeinen 11, waar hij spreekt over de strategie om zijn volksgenoten bij de Messias te brengen, nergens spreekt over het weer thuisbrengen van Joden uit de verstrooiing. En dat die stukken uit het Oude Testament die volgens velen nog onvervuld zijn, al wel vervuld zijn, maar alleen op een andere manier dan je op het eerste gezicht zou zeggen (bv. Mat. 2:15).

Saai Jezusscript

Bij het bijzondere script van Christenen voor Israël steekt het script van Jezus wellicht wat saai af. “Niemand weet de dag en het uur, zelfs de Zoon niet, alleen de Vader weet het” (Mat. 24:36). En Jezus roept intussen zijn volgelingen op om tot die dag waakzaam te zijn. En waakzaam zijn betekent dan niet dat je wakker moet worden om met de Bijbel in de hand de voetstappen van Jezus te ontcijferen. Waakzaam zijn betekent volgens de gelijkenis die volgt: trouw doen wat de Heer je opdraagt (Mat. 24:45-51): de arbeid aan zijn Koninkrijk in woord en daad trouw voortzetten, totdat hij komt (Mat. 24:14 en 25:31-46).

Dit script vinden we ook in Handelingen 1. In vers 6 stellen de leerlingen hem de vraag of hij dan nu het koningschap over Israël gaat bekleden. Het antwoord van Jezus komt er dan op neer dat Hij al koning is, door zijn dood en opstanding) en dat zijn leerlingen dat als koninklijke herauten moeten gaan vertellen in de hele wereld, te beginnen bij Jeruzalem (Hand. 1:8). Dat is hun taak. En wat er verder nog volgt is dat Jezus terugkomt zoals Hij is heengegaan (Hand. 1:11). En dat is het.

Misschien is onze tijd wel saai

Het is begrijpelijk dat allerlei eindtijdschema’s een hoger attractiviteitsgehalte hebben dan het eenvoudige schema van Jezus. Het is nu eenmaal lastig te accepteren dat onze tijd misschien wel helemaal niet zo bijzonder is. Dat onze tijd misschien achteraf wel net zo doorsnee blijkt te zijn als de middeleeuwen of de jaren ’50. Dat we op dit moment niet met bijzondere gebeurtenissen te maken hebben die we als Jezus’ voetstappen kunnen interpreteren. En dat we als gelovigen geen bijzondere bijdrage kunnen leveren aan Zijn komst. Geen andere bijdrage dan gewoon trouw zijn aan Zijn opdracht…  

Haast iedereen in elke tijd vindt zijn eigen tijd bijzonderder en vooral angstiger dan het verleden. Lees een paar oude preken en je ziet wat ik bedoel. Relativerende opmerkingen als dat het in ons deel van de wereld, ondanks alle terrorisme, veiliger is dan in welke eeuw hiervoor dan ook, zijn de stem van een roepende in de woestijn. Het is ook duidelijk hoe dat komt: het verleden is bekend, de toekomst is onzeker. Apocalyptisch denken, religieus of seculier, het is van alle tijden.

In de gemeente waar Timoteüs diende waren de mensen al gefascineerd door de geslachtsregisters van de Bijbel. Ze konden er veel mee berekenen en er mooie scenario’s uit opmaken. Paulus ziet het als weggegooide energie die ook besteed had kunnen worden met het vervullen van de taak die God gegeven heeft (1 Tim. 1:4). De opdracht voor Timoteüs is helder: “voer je taak vlekkeloos en onberispelijk uit, totdat onze Heer Jezus Christus verschijnt op de dag die is vastgesteld door de verheven en enige heerser, de hoogste Heer en koning” (1 Tim. 6:14-15). Opnieuw het simpele Jezus-script. Opnieuw de eenvoudige opdracht waar Timoteüs en wij onze handen vol aan hebben.

En jij dan Wim?

Ik heb me weer genoeg beziggehouden met de nutteloze speculaties van m’n lieve broeders en zusters. Vanmiddag ga ik weer aan m’n werk, en ik zal proberen om het onberispelijk te doen. 

donderdag 16 april 2015

Versla exitgesprekken kerkverlaters

883 belijdende- en doopleden keerden in 2014 de Christelijke Gereformeerde Kerken de rug toe zonder zich aan te sluiten bij een andere kerk. In 2013 waren dat er 823. Grote aantallen. Zeker als je beseft dat de kerken al weer zo’n 15 jaar bezig zijn met Missionair gemeente zijn. Het heeft er niet toe geleid dat de kerkverlating kleiner wordt. Wat me al een aantal jaren opvalt is dat deze grote getallen in de jaarboekjes niet of nauwelijks gevolgd worden door een degelijke analyse waaruit blijkt om welke redenen deze mensen vertrekken. Ds. Quant pleit er voor om de blik naar binnen te richten en te kijken naar de oorzaken die binnen de kerk liggen. Hij vindt het zelfs tijd om daar binnenkerkelijke gesprekspunten een tijdje aan ondergeschikt te maken. Het zou natuurlijk prachtig zijn als dat zou lukken maar ik denk eerlijk gezegd dat de kans groot is dat het bij deze mooie wens blijft en er volgend jaar opnieuw zo’n mooie wens geuit zal worden. En daarom bij dezen maar eerst een concreet voorstel: het zou goed zijn als jaarboekjes in het vervolg een paar geanonimiseerde exitgesprekken zouden bevatten. Gesprekken waarin enkel geluisterd wordt naar wat de kerkverlater ons te melden heeft. Het zou veel inzicht opleveren en vermoedelijk beter gelezen worden dan de huidige jaaroverzichten.

En dan ook maar meteen een aanzet voor het gesprek. De afgelopen jaren heb ik zelf meerdere gesprekken gevoerd met mensen die randkerkelijk zijn geworden of inmiddels afscheid van de kerk hebben genomen. Uit die gesprekken bleek mij vooral dat het christelijk geloof voor de betrokken mensen gewoon niet relevant meer is. Het raakt hun leven niet meer. Er waren vrijwel altijd ook randoorzaken zoals mensen uit de kerk die onhandige dingen zeiden, of een ervaren gebrek aan belangstelling. Maar dat was nooit doorslaggevend. Het totale geloofskader lijkt, soms binnen een luttel aantal jaren, te verdampen. Wim Dekker beschrijft in ‘marginaal en missionair’ hoe hij tijdens dit soort gesprekken aan de woorden van Bonhoeffer over een a-religieuze mens moest denken. En ik herken dat. Mensen voor wie zinnen als: “mensen die een ziel te verliezen hebben voor de eeuwigheid” nietszeggend geworden zijn. Mensen wie het hele metafysische kader van het christendom: een almachtig God, een onsterfelijke ziel en een hiernamaals, helemaal niets meer zegt. Niet altijd heel filosofisch onderbouwd maar vaker gebaseerd op de dagelijkse praktijk: “mijn leven lukt ook wel zonder God”. En eerlijk gezegd herkende ik me vaak in hen. Het eeuwenoude religieuze kader waarin het geloof in God gegoten werd past me lang niet altijd meer en is vaak gewoon niet meer zo relevant voor m’n dagelijks leven. De wereld is onttoverd en dat heeft mijn ervaring van de werkelijkheid veranderd. Veel dingen die vroeger aan God werden toegeschreven (bv. gezondheid/ziekte) verklaar ik nu, al is het maar onbewust, immanent (binnenwereldlijk). En veel religieuze taal klinkt ook mij leeg in de oren. De secularisatie en in haar kielzog de seculiere of a-religieuze mens, wordt in kerkbladen en andere geschriften meestal negatief beschreven als een vijand van de kerk. Wim Dekker vindt bijvoorbeeld dat de moderne mens twee bekeringen nodig heeft: eerst een bekering van een immanent naar een open wereldbeeld en dan nog eens een bekering tot Christus. Opvallend is dat Bonhoeffer zelf de komst van de a-religieuze mens niet negatief duidt maar als een gegeven neemt, een volgende stap in de geestelijke ontwikkeling van de mensheid. De gedachte dat we mensen eerst moeten bekeren tot het religieuze wereldbeeld noemt hij zelfs onchristelijk, omdat we Christus dan verwarren met een bepaalde trap van religieuze ontwikkeling (brief van 8 juni 1944). Bonhoeffer wijst een andere weg, namelijk het evangelie zo verwoorden dat het relevant wordt voor een a-religieuze mens. Hij zoekt het antwoord op de vraag: “Hoe kan Christus Heer worden ook van de a-religieuze mens?” (30 april 1944). Uit de manier van formuleren blijkt dat hij geloofde dát het kan! In zijn brieven is echter merkbaar hoe hij worstelt om het mentale beeld dat hij daarbij heeft helder op papier te krijgen. Helaas leven we met zijn onvoltooide gedachten... Maar naar mijn overtuiging is de vraag die hij stelt dé vraag waar theologie en kerk zich de komende tijd mee bezig moeten houden. Anders zijn we als westerse kerk meer en meer gedoemd om te leven met antwoorden op vragen die mensen niet meer stellen.

Het kan natuurlijk zijn dat ik het mis heb en er andere oorzaken voor kerkverlating zijn. Ik lees het graag terug in de verslagen van de exitgesprekken. 

Dit artikel verscheen in enigszins gewijzigde vorm in het Nederlands Dagblad van 16 april 2015

dinsdag 8 juli 2014

Een robuust dogmatisch en kerkelijk christendom

Een pleidooi voor een low profile, ondogmatisch en anti-institutioneel christendom, op die manier lees ik de zeven richtingaanwijzers voor een nieuw soort christendom die de uitkomst zouden zijn van 7keer7, een zoektocht naar een nieuw soort christendom. Deze richtingaanwijzers werden door Karel Smouter uitgewerkt in een artikel op De Correspondent. Tegenover het christendom dat hij voor ogen heeft wil ik een robuust dogmatisch en kerkelijk christendom poneren.

Ik steek in bij de eerste stelling: ‘(stop met geloven en) word een leerling’. Als ik de stelling, die zich kenmerkt door onhelder taalgebruik, goed begrijp dan is leerling zijn ongeveer het tegenovergestelde van in dogma’s geloven. Als ik echter de evangeliën goed lees dan is de essentie van leerling-zijn leren. Jezus verzamelt 12 leerlingen om zich heen die niet alleen zien wat Hij doet, maar ook naar behoorlijk lange preken luisteren waar Jezus steeds opnieuw iets over zichzelf, zijn missie en zijn koninkrijk onthult. Na 15 lange hoofdstukken stelt Jezus in Mattheüs 16 de vraag: ‘wie denken jullie dat ik ben?’ Het antwoord is: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God’. En Petrus krijgt een groot compliment, hij heeft het juiste antwoord gegeven, hij is een goede leerling. Leerling zijn betekent dat je doorkrijgt met Wie je in Jezus te maken hebt. En het is, zoals uit de woorden van Jezus blijkt, een zaak van levensbelang om dat helder te zien.

In feite verwoordt Petrus hier heel kort het eerste dogma: een mensenzoon die tegelijk Zoon van God is: een machtige belijdenis, en tegelijk een groot geheimenis dat er om vraagt om verder doordacht te worden. De vroege kerk was dan ook niet alleen met woordspelletjes bezig toen ze in de loop van een paar eeuwen steeds nauwkeuriger nadacht over wat hier precies gezegd wordt. De kerk was met een zaak van levensbelang bezig toen ze de grote dogma’s van de triniteit en de tweenaturenleer formuleerde. Jezus, zijn missie en zijn koninkrijk komen in de lucht te hangen als we niet scherp zien wie Hij is.

Het mooie is dat het instituut kerk door alle eeuwen heen, en door alle menselijk gerommel heen, deze dogma’s heeft bewaard, gekoesterd, geherformuleerd en uitgedragen in sacramenten, preken, muziek, kunst, architectuur (gebouwen) en theologie. Alleen daarom al is de derde stelling: ‘(stop met de kerk en) ontmoet elkaar’ erg jammer. Wat de kerk, de ene keer wat gelukkiger dan de andere keer, altijd weer heeft gedaan en moet blijven doen is het dogma voor gelovigen op zo’n manier tot leven brengen dat de gemeente er blij van wordt en gaat zingen. En de combinatie van een gewijde ruimte, een theologisch geschoolde voorganger met een goede preek, kwalitatief goede muziek en eerbiedig gebruik van de sacramenten is een heel goed middel om de lofprijzing bij de gelovigen naar boven te halen. En waar die lofprijzing één keer bij mensen op de lippen ligt heeft dat ook het effect in hun leven.

Volgens mij is het Tom Wright die in een van zijn geschriften het paradoxale gegeven meldt dat er in kerken die helemaal niet zo bewust bezig zijn met het verbeteren van deze huidige wereld juist veel gelovigen zijn die in deze wereld de handen uit de mouwen steken om haar tot een betere plek te maken. Gewoon omdat de ontmoeting met de levende Heer in de traditionele kerk hen veranderde en ze een warm hart heeft gegeven voor de wereld om hen heen. Dit heeft Smouter trouwens ook wel gezien. In het eerste deel van zijn artikel steekt hij nog de loftrompet over gewone christenen die de participatiesamenleving van Rutte mogelijk maken. Dan vraag ik me af waarom hij in het tweede deel het instituut dat deze gelovigen heeft voortgebracht min of meer af wil schaffen.

Ik geloof in een christendom waar het woord dogma geen vies woord is, waar de theologie de eer heeft om dogma’s te herformuleren en te actualiseren tot een boodschap die de harten van gelovigen vandaag weet te raken. Want gelovigen veranderen de wereld als ze geïnspireerd raken door het dogma dat ze via de kerk ontvangen, het dogma dat uiteindelijk altijd weer een antwoord is op die ene vraag die Jezus stelde: ‘en jullie, wie zeggen jullie dat ik ben?’ 

woensdag 11 september 2013

Vrouw en ambt - wat gedachten op een rij

Toen ik het beleidsrapport M/V in de kerk integraal gelezen had, was mijn eerste reactie: tja. Niet omdat ik het een slecht rapport vond, want dat is het niet, maar omdat het naar mijn besef in stem en tegenstem vooral de patstelling in de discussie schetste en het gesprek niet werkelijk verder kwam.

Het meerderheidsrapport gaat uit van het grote culturele verschil tussen de tijd van de Bijbel en onze tijd en concludeert op basis van dat verschil dat het in onze tijd goed is dat vrouwen ook ambten mogen vervullen. Het minderheidsrapport neemt het uitgangspunt in de verhoudingen die God met de schepping heeft gegeven, zoals die via de Schrift tot ons komen en concludeert dat we in gehoorzaamheid aan God de ambten niet open mogen stellen voor vrouwen. Binnen hun eigen denkkader zijn beide uitkomsten consistent en bevredigend. Maar ze raken niet wezenlijk met elkaar in gesprek.

Mijn reactie ‘tja’ verwoordt vooral mijn eigen verlegenheid met het thema. Die verlegenheid heeft er mee te maken dat we vandaag, hoe je het ook wendt of keert, in een andere hermeneutische situatie verkeren dan vroeger. In het verleden was er op dit punt een eenheid van het leven: wat er in de Bijbel staat en wat je in het dagelijks leven om je heen ervaart komt overeen: de vrouw is ondergeschikt aan de man en heeft geen leidende positie in kerk en politiek. Zowel wat er in de Bijbel staat als de maatschappij-inrichting is geworteld in de schepping van God, in de natuur. Schrift en common sense zeggen dus hetzelfde.[1] Op dit punt vind ik dat het M/V-rapport te gemakkelijk over het scheppingsorde-argument van Paulus heen stapt.[2] Dat was voor hem niet zomaar een van de argument en, maar juist in dat argument komen Schrift en natuur samen en spreken ze met één mond.

Vandaag is die beleefde eenheid van het leven er hooguit nog in de uiterste rechterflank van de SGP, waar de vrouw zowel maatschappelijk als kerkelijk een duidelijk andere rol vervult dan de man. In de rest van (christelijk) Nederland is de dagelijkse ervaring dat vrouwen in allerlei leidinggevende functies prima functioneren en die taak minstens zo goed vervullen als mannen. De natuur en maatschappij leren ons dus dat man en vrouw, hoewel verschillend, volstrekt gelijkwaardig zijn. De eenheid in de ervaring van het leven is doorbroken, de Schrift congrueert op dit punt niet meer met de door ons ervaren werkelijkheid.

Dat de eenheid van het leven doorbroken is, is recent het duidelijkst naar voren gekomen in de discussie rondom de SGP-vrouw. Het standpunt daar, en bij veel orthodoxe christenen, is: de vrouw heeft leidinggevende capaciteiten, die mag ze overal inzetten, behalve in de kerk. De enige reden dat het in de kerk niet mag is een autoriteitsargument: omdat het in de Bijbel staat. Een besluit dus niet op basis van wat vrouwen al dan niet kunnen, maar op basis van een gebod dat vanuit de dagelijkse ervaring niet te onderbouwen is. Zoals ook uit dit recente artikel op cip.nl blijkt.  

Omdat de eenheid van het leven op dit punt er niet meer is, is het zo dat welke keuze je ook maakt, voor of tegen vrouwelijke ambtsdragers, het altijd een andere keuze is dan de keuze van de kerk der eeuwen. De kerk der eeuwen maakte haar keuze op basis van Schrift, natuur en common sense. Voor de kerk vandaag is het - gechargeerd gezegd - of de Schrift, of de ervaren werkelijkheid.

In een recent artikel[3] laat A.A.A. Prosman heel mooi zien hoe voor Calvijn op het punt van homoseksualiteit[4] natuur en Schrift één taal spraken. Zelfs zo dat de Schrift deze voorschriften geeft omdat ze overeenkomen met de natuur.[5] Prosman geeft aan dat die vanzelfsprekendheid in onze tijd weg is en stelt dan dat we daarom des te meer op de Schrift zijn aangewezen. Hij kiest in het bovengenoemde dilemma dus ondubbelzinnig voor de Schrift. Dat is op zich een legitieme keuze, maar hij gaat niet in op het ongemakkelijke van deze positie: we moeten namelijk geboden houden waarvan niet inzichtelijk gemaakt kan worden welk doel ze hebben. Op deze manier wordt het gezag van de Schrift wel heel formeel en komt min of meer los van de werkelijkheid te staan.  

Mijn punt is: welke weg je ook kiest: het is ten opzichte van het verleden altijd een nieuwe weg. Of je handhaaft de Schrift onverkort, met het risico dat het Schriftgezag ervaren wordt als ‘slikken of stikken’, of je gaat mee in culturele ontwikkelingen in de erkenning dat het gezag van de Schrift op een nieuwe manier ingevuld moet worden. In mijn ogen is het in elk geval niet mogelijk om de Schrift op dit punt te harmoniseren met de door ons ervaren werkelijkheid. Pogingen daartoe komen gewrongen over.[6]

Een patstelling dus: twee posities, beiden met een positieve en negatieve kant. Ik vind het lastig kiezen.

Een belangrijke schakel die verder zou kunnen helpen mis ik in het rapport. Namelijk een evaluatie van de vrouwenemancipatie. Is dat een ontwikkeling die we als christenen mogen toejuichen of die we moeten afwijzen? Is onze gelijkheidscultuur beter dan de patriarchale cultuur? Deze vraag moet m.i. beantwoord worden voordat je besluit om mee te gaan in onze huidige cultuur. In het rapport wordt naar mijn mening de cultuur teveel als een neutraal gegeven beschouwd.

Het rapport heeft veel aandacht voor het gegeven dat in de GKv (en ook de CGK) vrouwen tegenwoordig steeds meer taken uitvoeren, en dat ook goed doen, dan in een recent verleden. Ik heb het nagezocht, maar nergens in het rapport wordt het verband gelegd tussen deze ontwikkeling en het werk van de Geest. Opnieuw wordt de ontwikkeling in de richting van meer participatie van vrouwen als een neutraal gegeven beschouwd. De Geest komt in het rapport enkel aan de orde als het gaat om het hermeutische proces, de Geest die inzicht geeft in de Schrift. Maar kan het ook zijn dat een onderdeel van dat hermeneutische proces de veranderde werkelijkheid in de kerk is, waardoor we erachter komen dat de Geest zélf aan vrouwen gaven en verantwoordelijkheden geeft en dat de Geest zélf de vragen rondom vrouw en ambt aan ons opdringt? Ik neig er naar om deze vraag met ‘ja’ te beantwoorden. Waar vrouwen gaven krijgen en een roeping ontvangen, mag je dan als kerk weigeren om deze vrouwen hun plek te geven? Ik denk van niet. Niet in de eerste plaats omdat de cultuur veranderd is, maar vooral omdat de Geest die weg wijst.

In mijn ogen zal een benadering op basis van de Schrift alleen telkens weer op de boven geschetste patstelling uitlopen. We zullen het moeten doen met de leiding van de Geest, hoe spannend dat ook kan zijn.




[1] Wat dat betreft had het M-V-rapport nog wel iets scherper kunnen stellen dat het voor Paulus in zijn situatie onmogelijk was om iets anders te zeggen over de man vrouw verhouding dan hij zei. Een paar keer kreeg ik de indruk, en misschien was het inderdaad niet meer dan een indruk, dat volgens het rapport Paulus ook anders had kunnen beslissen, maar dat omwille van zijn missionaire drive niet deed.
[2] Pag. 24
[3] “Homoseksualiteit en Hermeneutiek”, in: Theologia Reformata, nr. 3 2013, 225-244.
[4] De hermeneutische vragen rondom dit andere hete hangijzer komen grotendeels overeen met de hermeneutische vragen rondom man en vrouw.
[5] “Daarmee zegt Calvijn dat de Wet niets anders bepaalt dan wat de natuur zelf al bepaald heeft”. Pag. 239
[6] Te denken valt aan de verwijzing naar Galaten 3:28. In de leefwereld van Paulus is er simpelweg geen tegenstelling tussen dat vers en zijn oproep aan vrouwen om zich te laten onderwijzen. Datzelfde geldt voor verwijzingen naar Deborah en Chulda. Zij zijn in de patriarchale wereld van het Oude Testament de uitzonderingen die de regel bevestigen. 

woensdag 31 oktober 2012

Dominees werken niet hard en verdienen teveel

David Heek, alias Amos uit Spakenburg heeft weer van zich laten horen. Dit keer neemt hij het dapper op tegen de broodprofeten in de vorm van (oudere) vrijgemaakte predikanten. Ze werken niet zo hard, verdienen te veel en zeuren ook nog eens over hun pensioen. En hun vrouwen kunnen er helemaal wat van. En als je er wat van zegt dan vallen al die dominees over je heen, want o wee als je aan hun centen komt. 
Dit is in ieder geval wel het beeld dat uit de volgende tweet naar voren komt.

"Ik schrijf en preek regelmatig over de Bijbel. Reacties: 1-5. Ik schrijf over geld en de kerk, en de bom barst. Typisch GKv? Ik denk 't."

Heek roept iets ongenuanceerds over dominees en hun vrouwen, men reageert daarop en zijn reactie is: "zie je wel, ik zei het toch?"

Toen ik tijdens mijn studie op een kippenslachterij werkte - om m'n zesjarige studie te kunnen betalen - had ik een collega van het type ouwe mopperkont. Toen ik vertelde dat ik predikant wilde worden stuitte ik direct op het stereotype beeld: je werkt 1 dag per week en rijdt een dikke auto. Ik ben daar eerst tegenin gegaan en heb er later wat om geglimlacht. Zo'n man weet nou eenmaal niet beter.

David Heek weet wel beter, althans: daar begint hij z'n blog mee. Volgens mij heeft hij echter geen idee. Ik citeer:

Het stereotype beeld van de werkweek:
Je geeft 25 á 30 weken catechisatie.
Je doet 3 tot 5 pastorale bezoeken per week.
Je schrijft ongeveer 40 preken per jaar.

Eh, ja, het is nu woensdagavond. Sinds zondagmorgen heb ik er 37 werkuren opzitten, morgen nog een hele dag en zaterdag weer. Gewoon om dat ik het deze week een beetje druk heb. Met dingen die ik graag doe, dat wel gelukkig. Preken schrijven, catechisatie geven, pastoraat, vergaderen, studeren, een inspiratiebijeenkomst, etc.

En dat te hoge salaris? Ik ken de GKv-cijfers niet, die van de CGK wel. Het startsalaris is iets hoger dan dat van een startende leraar in het voortgezet onderwijs. Het eindsalaris meer dan 1000 euro lager... Mocht dat in de GKv significant hoger zijn, dan hoor ik het graag en stap ik onmiddellijk over

Het doel van de blog van Heek was om de emeritaatsvoorziening ter discussie te stellen. Daar heb ik geen probleem mee. Een eigen bijdrage van predikanten? Daar moet over te praten zijn. 

Waar ik wel een probleem mee heb is de uiterst suggestieve toon: snoepreisjes, predikanten die zielig doen, predikantsvrouwen met een gat in de hand, predikanten die de gemeente 'financieel tot last zijn'. Alsof predikanten er in de eerste plaats op uit zijn om zoveel mogelijk te verdienen. Dat vind ik het ronduit kwetsend. 

Tot slot: ik heb nog nooit een predikant horen klagen. We ontvangen een behoorlijke vergoeding voor een stevige functie. Marktconform is het niet helemaal, maar dat maakt niet uit. We proberen voor de Heer te leven, zijn koninkrijk op de eerste plaats te zetten en onbezorgd te zijn. We weten dat het voor een gemeente soms een offer is om een predikant te betalen. Daar voelt een predikant zichzelf als eerste ongemakkelijk bij.

Zelf sta ik in een kleine gemeente met grote offervaardigheid. Daar ben ik dankbaar voor. Door deze principiële keuze van de gemeente kan ik voltijds predikant zijn. Dat houdt in: 24/7 bereikbaar, huis en werkplek ineen, om er helemaal voor de gemeente te kunnen zijn. 

David, het zou prettig zijn als je je grote woorden in je blog terugneemt en je op de feiten concentreert. Spreken over geld mag best, maar weet waar je het over hebt en let op je toon. 

vrijdag 27 april 2012

Hemel - hel: een verkeerd paradigma

Het ND-debat over de hel was een waardig debat over een moeilijk onderwerp. De moeilijke vragen kwamen aan de orde. Bescheiden beginnetjes van antwoorden werden geformuleerd. Het mooiste vond ik dat de drie sprekers duidelijk niet waren gekomen om elkaar vliegen af te vangen, maar om oprecht hun visie te geven, wat ze goed afging. De angst die ik van tevoren over het debat had, is niet uitgekomen. Hulde.

Waar ik echter moeite mee had was het hele frame waarin de discussie door het ND was gezet. Dat was al te zien aan de hashtag #hemelhel en aan de levensgrote wegwijzer die de hele avond geprojecteerd werd met daarop heaven – hell. Hoewel de sprekers af en toe behoorlijk helder duidelijk maakten niet in dat paradigma te denken, bleef het boven de markt hangen.

Mijn moeite met het frame hemel-hel is dat de hel op deze manier teveel eer krijgt. Hemel en hel lijken in dit geval elkaars gelijkwaardige tegenhanger te zijn, waardoor de aarde in de schaduw komt te staan. De aarde is dan niet meer dan een schaduwland waar je definitieve bestemming - hemel of hel - bepaald wordt. 

Een collega stuurde deze scherpzinnige tweet de wereld in:
De spijker op zijn kop. De hel is niet zoals de hemel een schepping van God. Alsof God naast zijn eigen woning nog een folterkamer heeft ingericht voor zijn vijanden. De hel, dat is wat de mensen van Gods schepping hebben gemaakt en nog steeds maken. Net zoals het kwaad niet meer is dan de afwezigheid van het goede, zo is hel de afwezigheid God. Zo bezien doet de hel haar intrede als de mens uit het paradijs verjaagd wordt.  

Jezus zelf heeft het dan ook niet over de hel als tegenhanger van de hemel, maar als tegenhanger van het koninkrijk van God (Luc. 13:28), ofwel de vernieuwde schepping. Een nieuwe schepping die opnieuw wordt aangeduid in de tweeheid van hemel en aarde (Opb. 21:1).

Zoals een ander, al even scherp, twitterde:

Jezus is gekomen om Gods koningschap over zijn gevallen schepping terug te brengen. Om deze schepping weer te doordringen met liefde en recht. Daarom is Hij gestorven en opgestaan. Iedereen die zich tegen Zijn liefde en recht blijft verzetten komt niet in het koninkrijk, aldus de ernstige boodschap van Jezus. Niet het niet-geloven in Jezus zal de buitenblijvers zwaar worden aangerekend (Matt. 7:21), maar een leven in onrecht (Luc. 13:27). Het leven is belangrijker dan de leer.

Het is dan ook holle retoriek als je stelt dat Jezus meer over de hel dan over de hemel heeft gesproken. Jezus heeft inderdaad nauwelijks gesproken over de hemel als plek waar de doden heengaan. Dat past ook helemaal niet de boodschap die Hij had. Hij kwam geen mensen redden om naar de hemel te verplaatsen, maar kwam Gods koningschap naar de aarde brengen. In vrijwel ieder gedeelte waar Jezus waarschuwt voor de hel staat dat in de context van het koninkrijk dat Hij brengt. En Jezus heeft een stuk meer over het koninkrijk gesproken dan over de hel.

De verhouding tussen koninkrijk en hel is niet symmetrisch, alsof de hel net als het koninkrijk een bestaande plaats is, door God geschapen. De essentie van hel is buiten staan (Luc. 13:25). Het gaat om buiten tegenover binnen. Duisternis tegenover licht (Matt. 8:12). Het gaat erom dat deze aarde een plek wordt waar alle overheden, machten en krachten onttroond zijn en waar God als koning heerst. De kwade machten en hun handlangers kunnen daar simpelweg niet meer aanwezig zijn.

Voor wat de mens betreft die buiten komt te staan is dat een voortzetting van de beweging die in het paradijs is begonnen. Toen kwamen Adam en Eva buiten te staan, de weg naar het leven geblokkeerd (Gen. 3:24). Zo blijft de weg naar het leven geblokkeerd voor alles wat verwerpelijk is en iedereen die zich met gruwelijke dingen en leugens inlaat (Opb. 21:27).

Kortom: met de ‘hel’ als een ‘plek’ die nu al ‘bestaat’ kan ik vanuit de Bijbel niet zoveel. Met de hel als functie van Gods gerechtigheid des te meer. De hel is uiteindelijk het gevolg van Gods ‘ja’ tegen zijn schepping. Machten en mensen die daar ‘nee’ tegen zeggen hebben dat aan zichzelf te wijten. 

Om nog even terug te komen op het debat: de vragen uit de zaal bleven helaas erg in het frame hemel-hel hangen. Gelukkig wisten de sprekers zich daar regelmatig aan te ontworstelen. Zoals in de slotstatements bleek: "het geloof in de hemel motiveert me om hier met de voeten in de modder te staan, in de hoop dat het groene gras door de modder heenkomt" (citaat uit m'n hoofd). 

"Blijf de aarde trouw en geloof niet degenen die van bovenaardse hoop spreken", zei Nietzsche. Hij kan gerust zijn: Een christen blijft de aarde trouw, juist omdat hij bovenaardse hoop heeft. Omdat God de aarde trouw blijft. 

maandag 8 augustus 2011

Een christen vrijt het lekkerst


Gisteravond keek ik naar een onderhoudende aflevering van Zomergasten. Te gast was Step Vaessen, journalist in Indonesië. Het indrukwekkendste deel van het gesprek was de openhartigheid over de zelfmoord van haar ex-man, nog geen jaar geleden.

Verder ging een fors deel van het gesprek over de democratisering van Indonesië, over vrijheid, openheid en vooruitgang.

Aangezien wij Nederlanders vrijheid onvermijdelijk associëren met vrije seks, kon gastheer Jelle Brandt Corstius er niet onderuit om zo rond half elf de belangrijke vraag te stellen: “zijn er ook seksshops in Indonesië?”

Gelukkig kon Vaessen daarop bevestigend antwoorden. Er zijn seksshops in Indonesië, weliswaar verborgen in oude garageboxen, als teken van een dubbele moraal, maar gelukkig, ze zijn er, Indonesië is niet totaal achterlijk.

Vooruitgang
Seksshops als teken van vooruitgang, dat is de manier waarop de verlichte Nederlander deze wereld bekijkt.

Maar wat is er in een seksshop nu eigenlijk te koop dat te maken heeft met vooruitgang? Ik heb weleens een besmuikte blik in een etalage van onze plaatselijke seksshop geworpen. Naast lingerie die er, gezien de omvang, voor gemaakt is om zo snel mogelijk uit te trekken, zijn er nepgeslachtsdelen te koop in alle soorten en maten, condooms in verschillende smaken en meer van dat soort spul.

Als ik het onder één noemer moet brengen, dan lijkt het allemaal materiaal te zijn om een zo heftig mogelijk orgasme te beleven. Alle nadruk bij de beleving van seksualiteit ligt in een seksshop op het lichamelijke niveau. Klaarkomen, dat is belangrijk.

Afgelopen zaterdagavond zag ik op RTL4 een oude aflevering van Ik hou van Holland. Om het luchtig te houden moeten daar ook altijd een paar vragen over seks gaan. De vraag was: “hoeveel Nederlanders vinden dat seks exclusief in een vaste relatie thuishoort?”
Het antwoord? 32 procent. Dat betekent dus dat 68 procent vindt dat seks ook buiten een vaste relatie beleefd kan worden.

Het wereldbeeld van de verlichte Nederlander wordt zo iets duidelijker. Seks is een genotsartikel dat je beleeft met wie daar op dat moment zin in heeft. Het eigen genot voorop, waarin degene met wie je seks hebt slechts een figurant is.
En als er niemand is, dan red je je wel met een pornofilm of een dildo.

Seksshops, een teken van de alomtegenwoordigheid van seks, maar ook een teken van vooruitgang? Anders gezegd: is een cultuur met veel vrije seks in het publieke domein een vooruitstrevende cultuur?

Kanaan
vruchtbaarheidsgodin Astarte
Ook het oude Kanaan had een opmerkelijk open seksuele cultuur. De opgerichte phallus sierde menig tempel en heilige plaats. Rituele prostitutie was heel gewoon. Het publieke domein was vergeven van seks.

Toen kwam daar een nieuwe Godsdienst, het Jahwisme. Jahwe dacht dat het beter was dat de seks uit het publieke domein teruggedrongen werd (bv. Deuteronomium 23:18) en dat iedere man zijn eigen vrouw had. Volgens Jahwe had seks alles met intimiteit te maken, en mocht in die intimiteit beleefd, ja zelfs genoten worden.

Een pasgetrouwde man kreeg van Jahwe een jaar vrijstelling uit het leger om… zijn vrouw gelukkig te maken (Deut. 24:5).

Volgens Jahwe is seks meer dan een heftig orgasme. Seks komt tot bloei waar liefde, intimiteit en geborgenheid is. Waar twee mensen een hechte eenheid vormen. Waar een man plezier beleeft aan zijn eigen vrouw en omgekeerd.

Moge je bron gezegend zijn
Moge de geliefde van je jeugd je vreugde geven
Ze is zo lieflijk als een hinde, bekoorlijk als een ree.
Ze laat je altijd van haar borsten drinken,
Je kunt eindeloos verzinken in haar liefde.
(Spreuken 5:18-19)  

Ja, het is waar: een christen vrijt het lekkerst