vrijdag 21 juni 2019

De situatie in de CGK (3) samenwerkingsgemeenten


Een aspect dat in de discussie over de situatie in de CGK onderbelicht blijft is dat het bij de gemeenten die overgaan tot de bevestiging van vrouwelijke ambtsdragers om samenwerkingsgemeenten gaat. Dat is geen toeval en in dit blog wil ik beschrijven wat er kerkrechtelijk gezien aan de hand is.

Al in de jaren ’70 deed de synode van de CGK de oproep om samenwerking te zoeken met gemeentes van de NGK. Die plaatselijke samenwerking werd gezocht met het oog op een toekomstig samengaan van beide kerkverbanden. Zo’n samengaan dient niet alleen van bovenaf te worden georganiseerd en daarom was het een goede keuze om onderop te beginnen en dat naar boven te laten doorwerken.

Na een tijd van kennismaking ontstonden de eerste samenwerkingsgemeenten. Die bestaan nu al weer tientallen jaren. De gemeente van Arnhem bijvoorbeeld is al sinds 1995 een samenwerkingsgemeente. Dat houdt in dat er één gemeente en één kerkenraad is. Die ene gemeente is lid van twee kerkverbanden. Formeel ben je als kerklid nog lid van één van die beide kerkverbanden. Maar dat is voorlopig, met het oog op een toekomstig samengaan van de kerkverbanden.

Daarbij is goed om te bedenken dat een fusiekerk altijd meer diversiteit zal hebben dan elk van de losse kerkverbanden. Een fusiekerk zal dus, nog meer dan de huidige kerkverbanden, alleen de meest wezenlijke zaken vast dienen te leggen en zo meer ruimte bieden aan plaatselijke diversiteit. Iets wat ze op dit moment in de GKV en NGK lijken te begrijpen met het oog op de toekomstige kerkorde.
In de tijd voorafgaand aan de fusie hebben de samenwerkingsgemeenten te maken met verschillend kerkrecht. Daarom zijn er allerlei regelingen geschreven om de voorlopige situatie in de samenwerkingsgemeenten te regelen.

Het grote probleem voor de samenwerkingsgemeenten met CGK-achtergrond is dat een toekomstige fusie van kerkverbanden helemaal uit beeld is geraakt. Daardoor wordt de tijdelijke situatie van een samenwerkingsgemeente een situatie die in principe oneindig lang kan voortbestaan. Daar hebben de samenwerkingsgemeenten zelf niet voor gekozen, maar ze ondervinden er in de praktijk wel de moeite van. Ze voelen zich ‘klem en verloren’.[1]

Ondertussen zijn de ontwikkelingen in samenwerkingsgemeenten zelf doorgegaan. Naarmate een samenwerkingsgemeente langer bestaat voelen veel minder leden zich specifiek verbonden aan één van beide kerkverbanden. Dat is een logische én goede ontwikkeling. Logisch omdat nieuwe leden hebben gekozen voor de samenwerkingsgemeente en niet voor de CGK of NGK. Goed omdat met het oog op een landelijke kerkfusie alvast zichtbaar wordt wat voor identiteit zo’n fusiekerk krijgt en dat die identiteit inderdaad niet meer in één van beide kerkverbanden kan liggen.

Het is begrijpelijk dat voor deze gemeenten op een gegeven moment het kerkrecht gaat knellen. Dat komt des te meer doordat bij verschillen in kerkrecht de gemeente niet altijd zelf mag kiezen wat goed en opbouwend is in de eigen situatie. Dat laatste is aan de hand rond vrouwelijke ambtsdragers. De regeling schrijft nu voor dat als één van beide kerkverbanden geen vrouwelijke ambtsdragers kent, die in een samenwerkingsgemeente ook niet zullen worden aangesteld. [2] Achtergrond van deze regeling is een principe dat met name vanuit de CGK steeds weer herhaald wordt: dat samenwerkingsgemeenten zich dienen te houden aan de minst verstrekkende kerkorde.[3] Vanuit samenwerking gedacht lijkt mij dit een niet zo principieel principe, het komt er op neer dat je zegt: samenwerken prima, maar wel op ónze voorwaarden. Dat is iets dat je naar mijn overtuiging niet van samenwerkingsgemeenten kan vragen. En zo is het goed verklaarbaar dat dit in sommige gemeenten zozeer knelt dat men overgaat tot het wel bevestigen van vrouwelijke ambtsdragers.

Een ander gevolg van deel uitmaken van twee of meer kerkverbanden is dat bepaalde kerkelijke ‘logica’ ineens heel anders overkomt. Ik denk aan de volgende opmerking van prof. Selderhuis in zijn lezing op de ambtsdragersconferentie: “Dit principe betekent naar de ene kant dus dat het niet maar onfatsoenlijk maar onkerkelijk en naar mijn gedachte zondig is als besluiten die we biddend, bij een open Bijbel en na overleg samen genomen hebben, naast je neer te leggen.” Deze redenering is ‘logisch’ als je lid bent van één kerkverband. Dit wordt heel ingewikkeld als je lid bent van twee kerkverbanden waarbij de ene vergadering (CGK 1998), biddend en bij een open Bijbel, een ander besluit neemt dan de andere vergadering (NGK 2004). Heeft de ene vergadering dan beter gebeden dan de ander en hoe meet je dat? Leidt God synodevergaderingen tot verschillende Bijbelse besluiten? En wat nu als je je als gemeente sterk herkent in het ene besluit en je het vanwege de andere vergadering toch niet mag? Opvallend genoeg deed Selderhuis deze uitspraak zonder zich er rekenschap van te geven dat het bij samenwerkingsgemeenten echt anders ligt.

Terzijde, de wijze waarop een biddende houding op deze manier een argument in een discussie wordt is dubieus. Het heeft toch iets van: als je wat anders vindt dan trek je een biddend genomen besluit (door dat gebed blijkbaar extra gewichtig) in twijfel. Alle keren dat ik het niet eens was met een synodebesluit heb ik dit argument gehoord, en alle keren had ik de sterke gewaarwording met dit argument gemanipuleerd te worden. We mogen ervan uitgaan dat christenen, kerkenraden, classes en synodes hun werk biddend doen. Maar laten we niet de suggestie wekken dat die besluiten daarmee goddelijk gesanctioneerd zijn. Dat komt dichtbij de overtreding van het 3e gebod, waar het er om gaat dat we God maar al te gemakkelijk voor ons eigen karretje willen spannen.

Samenwerkingsgemeenten zitten in een moeilijke situatie. Die situatie komt door het uitblijven van landelijke eenheid. Al te lang zijn de gevolgen daarvan op die gemeenten afgewenteld. Nu is blijkbaar het moment gekomen dat het teveel knelt. De wijze waarop het gaat – gemeenten die zich onttrekken aan besluiten van één van de kerkverbanden – is niet netjes. Maar het evenmin netjes om de schuld hiervan compleet bij de samenwerkingsgemeenten neer te leggen en hen alvast te sommeren het kerkverband te verlaten. Dat doet geen recht aan de situatie zoals ze ontstaan is.

Voorlopig vind ik het met dit blog wel weer welletjes. Ik heb nog niet alles gezegd wat er te zeggen valt, zeker ook over niet-samenwerkingsgemeenten die vrouwelijke ambtsdragers willen en over de bijbelse onderbouwing, maar voor alles is een tijd. Ik trek me nu een paar maanden terug in studie en vakantie. Later misschien meer.




[2] Dat was de regeling op basis waarvan classis Apeldoorn van de CGK haar eerder gegeven toestemming aan Arnhem om vrouwen te bevestigen weer introk.
[3] Juridisch gezien lijkt dit me een problematische formulering, want wat is nu precies verstrekkender, vrouwen toelaten tot de ambten of ze eruit weren?

donderdag 20 juni 2019

De situatie in de CGK (2) kerkrecht


Volgens prof. dr. Herman Selderhuis plaatsen kerken die vrouwelijke ambtsdragers aanstellen zich feitelijk buiten het kerkverband. Ds. Pieter de Boer riep in het Reformatorisch Dagblad de classes van Apeldoorn en Utrecht op om de geloofsbrieven van de samenwerkingsgemeentes van Arnhem en Nieuwegein niet langer te aanvaarden. In mijn vorige blog heb ik aangegeven dat dit inderdaad mogelijk is. Maar naar mijn overtuiging is het niet de enige mogelijkheid, en is het ook niet nodig.  

In de CGK zijn er tal van kerken die zich niet aan alle kerkordelijke afspraken houden: er zijn kerken zonder tweede kerkdienst (art. 64 KO), er zijn kerken die niet de vastgestelde doop- en avondmaalsformulieren gebruiken (art. 62 KO)  en er zijn kerken waarin de ouderlingen niet jaarlijks huisbezoek afleggen (art. 23 KO). Dat heeft nooit geleid tot de uitspraak dat deze kerken zich feitelijk buiten het kerkverband plaatsen.

In het verleden hadden we in de CGK de gezangenkwestie. In tal van gemeentes en lange tijd tot op synodaal niveau werd er gestreden over de vraag óf je gezangen mocht zingen en zo ja welke. Heel wat exegeses en toepassingen van o.a. Efeze 5:19 zijn gemaakt, en er werd op basis van de Bijbel geargumenteerd. Lange tijd was het niet mogelijk om het vrije lied in de eredienst te zingen. Er waren echter wel gemeenten die daartoe overgingen en daarmee zich niet hielden aan wat de synode had besloten. Maar nooit kregen zij te horen dat ze zich feitelijk buiten het kerkverband hadden geplaatst.

De redenering van Selderhuis en anderen is daarom niet zomaar een juridisch spel. Er speelt meer. Het gaat volgens hen om een principiële zaak omdat de binding aan de Schrift ermee gemoeid is. En dat is een zaak die het belijden van de kerk raakt (art. 5 NGB). In mijn theologenblog van deze week heb ik laten zien dat dat dat wel telkens geponeerd wordt, maar niet onderbouwd. Het gaat in de discussie naar mijn overtuiging om de uitleg en toepassing (zo je wilt gereformeerde hermeneutiek) van de Schrift, maar niet om de onderwerping aan de Schrift op zich.[1]

De oproep van ds. Pieter de Boer aan de classes van Apeldoorn en Utrecht om de geloofsbrieven van Arnhem en Nieuwegein niet te aanvaarden hoeft daarom niet perse opgevolgd te worden. Beide classes kunnen er ook voor kiezen het inhoudelijke gesprek met die gemeenten over de gronden van hun keuze voor vrouwelijke ambtsdragers aan te gaan. Daarbij zullen zij zich er van moeten vergewissen of die gemeenten zich daadwerkelijk aan het gezag van de Schrift onttrekken. Mocht dat niet het geval zijn dan blijft over dat zij zich niet aan kerkelijke afspraken houden. Dat kan reden zijn voor zorg, voor nog meer gesprek, maar niet om hun geloofsbrieven niet langer te aanvaarden.

In m’n volgende blogpost wil ik ingaan op de status van samenwerkingsgemeenten en wat maakt dat juist zij keuzes maken die ingaan tegen kerkelijke afspraken in de CGK.


[1] Misschien dat ik de komende tijd wat tijd vrij kan maken om dat nog wat nader te onderbouwen vanuit de exegese, maar naar mijn idee gebeurt er iets dat niet veel schokkender is dan vrouwen die met onbedekt hoofd bidden, iets dat ds. Pieter de Boer tot mijn verrassing onder de middelmatige zaken blijkt te scharen.


woensdag 19 juni 2019

De situatie in de CGK (1) visie op de kerk


Op de ambtsdragersconferentie van de CGK zette prof. dr. Herman Selderhuis de toon door te stellen dat samenwerkingsgemeenten die vrouwelijke ambtsdragers aanstellen zich feitelijk buiten het kerkverband plaatsen. Die roep vindt nogal stevig weerklank in een deel van onze kerken.[1] Openlijk wordt de synode opgeroepen om stappen te zetten die tot een nieuwe scheur zullen leiden.[2] Als deze roep maar vaak genoeg wordt herhaald neemt de kans ook toe dat het daadwerkelijk gaat gebeuren. Dat zou heel verdrietig zijn. In een paar blogs wil ik hierover wat gedachten op een rij zetten.  

De basis voor de roep van Selderhuis is een vrij eenvoudige visie op het kerkrecht: je maakt als kerken afspraken, daar houd je je aan, en anders doe je niet meer mee. In De Wekker van 7 juni zette Selderhuis zijn visie op het kerkverband nog eens uiteen:
“Uitgangspunt van een kerkverband is wel dat de kerk plaatselijk is en dat de Schrift geen enkele kerk verplicht lid van een kerkverband te zijn, maar geestelijke eenheid brengt wel bij de plicht en roeping elkaar te dienen. Plaatselijke kerken treden vrijwillig tot een kerkverband toe en stemmen door toetreding met de bestaande regels in. Toetreding betekent in het gereformeerde kerkrecht ook dat een gemeente vrijwillig een deel van haar zelfstandigheid afstaat, doordat ze instemt met de regel dat besluiten die bij meerderheid genomen worden ook door de minderheid geaccepteerd worden.”
Als ik Selderhuis goed begrijp is een kerkverband een soort van democratie, die zich vormt als er een aantal plaatselijke kerken zijn die zich geestelijk voldoende op één lijn bevinden. En als je je niet meer voldoende op één lijn bevindt dan kun je als plaatselijke kerk weer losmaken uit die democratie en in vrijheid je weg vervolgen, zoveel mogelijk als goede vrienden.

Ik denk dat deze visie zowel kerkhistorisch, confessioneel als Bijbels niet juist is. Er is in de geschiedenis van de gereformeerde kerken nooit een moment geweest dat losse plaatselijke kerken er voor kozen om vanaf nu samen een kerkverband te gaan vormen omdat ze zich geestelijk in elkaar herkenden.[3] De gereformeerde kerkverbanden, inclusief de nationale kerken ten tijde van de Reformatie, zijn alle ontstaan uit pijnlijke kerkscheuringen. Dat die kerkscheuringen zoveel pijn deden heeft er mee te maken dat er geen vrienden uit elkaar gingen, maar dat er een lichaam scheurde, het lichaam van Christus. Als je die kerkscheuringen door de geschiedenis heen in omgekeerde richting volgt kom je uiteindelijk bij de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk van Nicea. Principieel kan er maar één kerk zijn.

Dat is ook de taal van de gereformeerde confessie zoals we die horen in Artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Midden in het kerkelijke trauma van de reformatie klinkt daar helder en duidelijk dat er maar één Kerk kan zijn. De belijdenis doelt daar niet op de onzichtbare ware Kerk[4], maar op de zichtbare Kerk. De vraag is voor de NGB dan ook vooral wélke Kerk de ware Kerk is. Dat is volgens de NGB de Kerk van de reformatie. De kerk van Rome is de valse kerk, en de overige ‘kerken’ noemt de belijdenis onder de titel sekten. Dat het, nu we talloze kerksplitsingen verder zijn, ingewikkeld is om onbekommerd de NGB na te spreken lijkt me helder. Maar de uitspraak dat er principieel maar één Kerk kan zijn lijkt me Bijbels gefundeerd.

Het Nieuwe Testament kent maar één kerk. Rond Christus vormt zich door de heilige Geest te Jeruzalem één gemeenschap die zich vervolgens door zendingswerk tot aan de einden der aarde verspreidt, maar toch één blijft. Want door bij Christus te horen, hoor je bij het ene lichaam. Daar zit ook in het Nieuwe Testament al een organisatorische kant aan. Denk aan het apostelconvent in Handelingen 15 waarbij alle kerken inzake een belangrijk vraagstuk, geleid door de Geest, eenparig één lijn trekken. Denk aan het gegeven dat de apostelen in elke gemeente oudsten aanstellen of laten aanstellen. Denk aan de vele brieven van o.a. Paulus om de gemeenten bij de ene Heer te bewaren. In geen van die brieven klinkt ook maar de geringste suggestie dat je als plaatselijke kerk net zo goed los kunnen zou staan dan het geheel.[5]

Ondertussen hebben we in de huidige situatie, met tal van kerkverbanden, alleen al op gereformeerd terrein, wel een flink hermeneutisch probleem. Ik vind het onmogelijk om met de NGB in artikel 29 nog langer te zeggen dat ik behoor tot de ware kerk c.q. dat de CGK de ware kerk is. Dat beweren zou getuigen van zo’n hoogmoed en diskwalificatie van zoveel broeders en zusters dat het niet in me opkomt om het zelfs maar te overwegen. Tegelijk constateer ik dat er principieel maar één kerk kan zijn.

In een eerdere blog schreef ik dat de ene kerk niet meer bestaat. En dat de huidige kerkverbanden alleen bestaansrecht hebben als ze zich zien als tijdelijke noodverbanden.[6] Dat in het DNA van elk kerkverband het diepe verlangen hoort te zitten om zich zelf op te heffen bij het opgaan in een groter geheel. Bij zo’n kerk, die ondanks haar kleine omvang voluit katholiek-gereformeerd gelooft, hoort dat we elkaar alleen in wezenlijke zaken binden en als kerken niet over elkaar heersen.[7] Bij het besef dat je onderweg bent om jezelf op te heffen hoort de houding om alleen de meest wezenlijke zaken vast te leggen. De katholiek-gereformeerde kerkleer heeft het daarom in zich om veel ruimte te bieden aan diversiteit. Juist vanuit het besef dat opnieuw een scheur het lichaam van Christus nog verder verdeelt. Toch is de tendens in onze kerken momenteel om die ruimte niet te bieden en dat vervult me met zorg.

Ik ga er vanuit dat Selderhuis in zijn artikel de kerkrechtelijke situatie van ons kerkverband goed weergeeft. En ik ga er vanuit dat het werkelijk mogelijk is dat ons kerkverband besluit om kerken met vrouwelijke ambtsdragers niet meer tot vergaderingen toe te laten en hen zo feitelijk uit het kerkverband zet. Maar het is ook wel goed om te beseffen dat de CGK daarmee zouden uitspreken dat de opvatting over de positie van de vrouw wezenlijk tot het belijden van de kerk behoort en dus een kerkscheuring waard is. Ik hoop en bid dat die keuze niet gemaakt gaat worden.   
  
In een volgend blog wil ik ingaan op de vraag hoe hard de uitspraak dat kerken die zich niet houden aan afspraken zich feitelijk buiten het kerkverband plaatsen in werkelijkheid is.




[1] Ik denk aan het artikel van ds. Pieter de Boer https://www.rd.nl/opinie/vrouw-in-ambt-geen-middelmatige-zaak-1.1574540 en ook aan de berichten over de ambstdragersconferentie van stichting Bewaar het Pand.
[3] Wellicht dat dit bij evangelische kerken wel gebeurt. Hun ecclesiologie lijkt dan m.i. ook sterk op de weergave van Selderhuis.
[4] Op basis van alleen artikel 27 zou je wel kunnen denken dat de ene kerk volgens de NGB vooral onzichtbaar is.
[5] Ik verwijs hier graag naar het blog van Bert Loonstra die hetzelfde constateert http://www.bertloonstra.nl/blog/selderhuis-over-de-bijbel-en-het-kerkverband/
[6] Ik besef heel goed dat dit nogal counter-cultural is in een tijd waarin veel christenen meerdere kerkverbanden als een luxe ervaren, en ‘kiezen wat bij hen past’. Nu zou er ook in een ongedeelde kerk heel veel diversiteit moeten kunnen zijn, met meerdere signaturen in één woonplaats. Een verenigde kerk wordt hoe dan ook een bredere kerk.
[7] Dit is iets wat Selderhuis ook schrijft. En ik denk dat hij er gelijk in heeft dat de reformatorische nadruk op de vrijheid van de plaatselijke gemeente een belangrijke correctie is op de Rooms-katholieke kerkleer en praktijk.

maandag 14 januari 2019

Preek naar aanleiding van de Nashville-verklaring


Zondagmorgen 13 januari 2019 hield ik een preek naar aanleiding van de Nashville-verklaring. Normaal schrijf ik mijn preken niet uit. Op verzoek doe ik dat dit keer wel. Dit is in grote lijnen de preek die ik gisteren in de CGK van Zutphen hield. Ik vraag jullie deze te lezen met in het achterhoofd dat de preek voor deze concrete gemeente is geschreven. Dit kleurt mijn bewoordingen en voorbeelden. Verder is de preek best lang. In de eerste helft zet ik een visie op de gemeente neer. Pas in de tweede helft spreek ik dan concreter over homoseksuelen en transgenders. Doorscrollen mag :-) 

Waarom deze preek? 
Er is de achterliggende week een bom ontploft in christelijk Nederland. Een bom geladen met onzorgvuldig gekozen woorden. Een bom die ook te vroeg is afgegaan. En de schade is groot. Het scherven rapen is nog maar net begonnen. Sommigen van ons voelden verdriet, omdat het ging om over onze eigen vriend of vriendin, of ons eigen kind. Anderen voelden zich genoodzaakt om op hun werk hierop in te gaan, omdat hun collega’s er niets van begrepen. Misschien voelde je ook wel verdriet omdat je dacht: ‘dat gewone geloof dat we vroeger hadden, waarin we dingen duidelijk mochten zeggen, mag dat nog wel? Mogen we nog wel gewoon zeggen wat de Bijbel zegt?’ Het leidde tot boze christenen onderling. En dat levert misschien nog wel de meeste schade op: gelovigen die elkaar met woorden te lijf gaan.

Ik had het deze week een beetje druk, en daarom had ik de preek voor deze zondag vorige week al geschreven. De preek zou gaan over de doop van Jezus. In dat bijbelgedeelte (Lucas 3:20-21) horen we hoe de Vader tegen Jezus zegt: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’ Dat zijn woorden uit Jesaja 42:1-7. Toen ik die tekst vorige week, nog voor het hele Nashville-gebeuren, las, vond ik dat al een hele mooie tekst over Jezus: Hij zoekt geen woordenstrijd op maar Hij heeft liefde voor kwetsbare mensen. Vorige week zondagmorgen, toen die bom net was afgegaan, las ik volgens mijn bijbelleesrooster[i] diezelfde tekst in Matteus 12:14-21, waar opnieuw diezelfde tekst instaat: geen woordenstrijd, maar oog voor kwetsbare mensen. En die tekst heb ik in mijn achterhoofd gehouden bij mijn eigen reacties op het thema van de Nashville-verklaring. Hoe wij praten, welke woorden wij gebruiken, dat betekent ontzettend veel.

Ik heb mezelf altijd voorgenomen om de kerkdienst nooit te gebruiken om over ‘kwesties’ te preken. Simpelweg omdat ik dan 20 minuten tot een half uur heb om mijn standpunt uiteen te zetten, en u als gemeente niet terug kunt praten. Dat acht ik weinig opbouwend. En iemand zei eens tegen mij: ‘je kunt in de kerk heel goed een discussie winnen, maar je broeder of zuster verliezen.’[ii] Daarom preek ik vandaag niet over dit thema om een discussie te winnen. Ik ben zelf trouwens ook nog wat zoekend. Maar ik preek erover omdat ik denk dat deze tekst ons vandaag allemaal wat te zeggen heeft. Deze tekst werpt licht op de vraag: wat voor kerk zijn wij eigenlijk?

Wat voor kerk? 
We lopen namelijk als gereformeerden het risico om een standpuntenkerk te zijn[iii]. We schrijven dan een beleidsnotitie over vrouw en ambt, ongehuwd samenwonen of de kinderdoop, en we gebruiken vervolgens het standpunt om elkaar aan af te meten en te zeggen: ‘jij deugt wel en jij deugt niet’. Maar als op die manier standpunten in het centrum van het kerk-zijn komen te staan, dan zullen onze woorden elkaar schade berokkenen. Geknakte rieten worden gebroken en de kwijnende vlam dooft uit. Als we op die manier kerk zijn, dan volgen we Jezus sowieso niet. Als Jezus in de wereld komt dan komt Hij niet om standpunten te verkondigen en daar mensen op af te rekenen. Jezus gaat vaak in gesprek met mensen. Maar op het moment dat zo’n gesprek de sfeer krijgt van een discussie waarin ze Jezus willen pakken, dan loopt Hij weg. Niet dat Hij de discussie niet kan winnen, we zien in de Bijbel genoeg voorbeelden dat Hij dat wel kan. Maar het was gewoon z’n doel niet.

De geschiedenis van Matteus 12 laat dat ook zien. De Farizeeën staan in de synagoge te kijken of ze Jezus kunnen betrappen op het overtreden van het sabbatsgebod. Ze hebben in de eeuwen daarvoor geleerd om de Schriften zo te lezen dat het voor hen heel duidelijk is: op de sabbat mag je niet werken. Ze hebben met elkaar de Schrift uitgelegd en ze hebben er een vrij goed beeld van wat er allemaal wel mag en wat er niet mag op de sabbat. En ze proberen nu Jezus op dat punt te pakken. En Jezus kiest één goed voorbeeld om uit te leggen wat hij gaat doen: het voorbeeld van een schaap dat in een kuil valt en dat je ook op de sabbat redt. En vervolgens geneest Hij de man die daar ziek in de synagoge zit. Vervolgens loopt Hij naar buiten, want Hij is niet gekomen om die discussie te winnen, maar om die gekwetste man met zijn zere arm bij God te brengen. En zo gaat Hij vervolgens ook om met zijn identiteit als Zoon van God (Mat. 12:16). Hij praat daar liever niet over. Omdat dat afleidt van zijn werkelijke missie, het redden van mensen.

En dat is dan ook de reden dat Matteus in hoofdstuk 12 die woorden uit Jesaja 42 weer oppikt. Mensen willen een woordenstrijd, maar Jezus is in deze wereld gekomen om het recht van God te brengen. Dat recht moeten we trouwens hier niet juridisch lezen, alsof Jezus met een lijst geboden komt. Als we deze tekst in Jesaja[iv] en Matteus in de context lezen dan blijkt dat het ergens anders om gaat. Het recht van God dat komt overeen met een situatie van herstel, heelheid en vrede. Iets waar we ons nu nauwelijks iets bij voor kunnen stellen omdat we geloven dat Jezus dat in de toekomst pas echt komt brengen.

Jezus brengt die situatie van heelheid en vrede niet door de juiste mening heel hard te verkondigen. Maar Jezus brengt Gods recht door wie Hij is. Rondom Jezus komen mensen tot hun recht. Hij brengt mensen binnen in de liefde van God. Daarvoor is Hij gekomen. En daarbij gaat Jezus het voorzichtigst om met mensen die kwetsbaar zijn. Mensen die anders zijn, om dat woord maar te gebruiken, mensen die aan de rand van de samenleving staan, die ontvangen de bijzondere aandacht van Jezus. Symbolisch vind ik zijn omgang met melaatsen. Die mensen mochten niet in hun dorp wonen. Die hoorden er niet bij. Ze mochten door niemand aangeraakt worden, maar Jezus strekt zijn hand uit en raakt ze aan.[v] Dat is zoals Hij optreedt. Jezus omarmt kwetsbare mensen en brengt ze thuis in de liefde van God.

Wat betekent dit optreden van de Heer nu voor de kerk van vandaag? Ik las er van de week een treffend beeld over.[vi] Er was een boer in Amerika en die boer had geen hek om zijn land. Een Nederlandse toerist vroeg hem: ‘waarom heb jij geen hek om je land?’ De boer zei: ‘in het midden ligt een bron.’ Dat beeld appeleert bij mij aan een diep verlangen als het gaat om de kerk. Dat we niet onze identiteit als kerk laten bepalen door hekken en grenzen, maar dat we dat laten bepalen door de bron die in het midden ligt. Iedereen die daar naartoe wil geven we vrije toegang. En als mensen van die bron drinken, dan gaat er echt wel wat met ze gebeuren. Maar we hoeven als medechristenen niet angstvallig te controleren wát er dan gaat gebeuren. Een prachtig beeld: een kerk die niet bepaald wordt door een hek, maar door een bron.

Hoe omgaan met homoseksuelen en transgenders? 
Vanuit deze houding wil ik dan iets zeggen over hoe we als gelovigen vandaag zouden moeten omgaan met homoseksuelen en transgenders. En dan besef ik heel goed dat ik hier voor me mensen zien die daar heel persoonlijk mee te maken hebben. Misschien wachten jullie wel op een duidelijk standpunt van mij. Ik vind het lastig om dat te geven, om de reden die ik al zei. Ik vind de preek daar niet het geschikte medium voor. En eigenlijk denk ik dat die duidelijke mening niet zo heel erg belangrijk is. De vraag die belangrijker is is: hoe gaan we om met iemand die vanwege zijn of haar geaardheid het risico loopt gekwetst te worden, juist in de kerk. En ik hoop dat wij met elkaar in staat zijn om de houding van Jezus te laten zien. Omarmend richting mensen, ongeacht welke opvatting je precies hebt over het huwelijk. Omarmend richting mensen, die – en dan zeg ik het maar weer – anders zijn.

Ik heb trouwens op een bepaalde manier ook moeite met dat taalgebruik, over anders-zijn, omarmen, naast mensen gaan staan en zo. Voor je het weet straal ik namelijk uit als heteroseksuele getrouwde man die voorzover anderen weten keurig binnen de lijntjes kleurt. Dat ik als hetero voorzichtig omga met jou als homo[vii] of transgender. Dat is nogal neerbuigend. Ik die het netjes doe ga voorzichtig om met jou die het minder netjes doet. Alsof ik door mijn hetero zijn al beter ben dan een ander. En ik wil het niet zo zien. Maar in dat taalgebruik laat ik het vaak wel zien. En dat is mijn zonde. Op die manier kijken naar jou als medemens. En ik doe mijn best om je te zien als 100% gelijk aan mij.

Maar dat kan alleen door de genade van de Here Jezus. Omgaan met medemensen lukt alleen als ik[viii] mezelf heb laten zien als zo’n geknakt riet en kwijnende vlam, opgeraapt door Jezus. Want wat Jezus hier zegt dat gaat niet alleen over mensen die wij naar de rand toeschuiven. Dit gaat over elk mens. Dit is wat wij zijn: een bevend rietje. En als we niet door Jezus worden opgeraapt dan zijn we helemaal niets. Als we niet thuisgebracht zijn in de liefde van God dan hebben we geen leven.

Komende middagdiensten preek ik uit de Dordtse Leerregels. En die leerregels proberen te verwoorden dat genade ook echt genade is. Dat je 100% uit genade gered bent. Want, zo zegt dat geschrift, alleen als je beseft dat je uit genade gered bent dan leer je een nederige houding tegenover andere mensen. Tegenover God zijn we allemaal gelijk omdat we allemaal hetzelfde nodig hebben. En we zijn alleen gered dankzij de genade van Jezus Christus.

Ik ga ervan uit dat er deze ochtend homoseksuelen en transgenders in de kerk zitten. En stel je voor dat je dat aan nog niemand hebt verteld, dan wil ik je uitnodigen om dat te vertellen aan iemand uit de kerk die je vertrouwt. En dan hoop ik simpelweg dat God ons de genade geeft om goed met je om te gaan. Want heel eerlijk. Met jou ben ik daar nog niet helemaal gerust op. Want hoe komt het dat ik onder de 200+ leden van onze kerk niemand ken die homoseksueel of transgender is? Het zou heel toevallig zijn als er echt niemand is. Ik ken een beetje statistiek en als er zo’n 5 tot 7% van de bevolking anders geaard is dan moeten we er dus in onze kerk een stuk of 10 hebben. Het kan natuurlijk zijn dat ze er ooit waren en inmiddels weg zijn. Het kan ook zijn dat ze nog heel onveilig in de kast zitten. En dat roept bij mij de vraag op: zijn wij als kerk werkelijk een veilige plek? Wat dat betreft zijn we helaas zo veilig als de onveiligste schakel. Maar ik hoop en bid dat Gods ons leert en helpt om het goed te doen.

Er is nog een probleem dat we als kerk hebben. En dat zit opnieuw in de taal die, ook ik, vaak uit. Dat zit er in als we tegen jou als homo of transgender zeggen: jij hebt een probleem en ik kom naast jou staan en ik draag dat probleem met je mee. En dat is goed bedoeld en als mensen dat zeggen dan kun je daar blij mee zijn.

Maar achterliggende week heb ik opnieuw gezien dat jij niet degene bent met het probleem, maar wij, als kerk. Wij hebben een probleem en dat is de achterliggende week heel groot naar buiten gekomen. Wij hadden namelijk onze leer keurig op orde. Het klopte, we begrepen het en we konden het uitleggen. God heeft man en vrouw geschapen en aan elkaar gegeven en zo is het. En alles wat anders is, dat is niet goed. En toen kwamen jullie[ix]. En jullie legden de terechte vraag in het midden van de kerk neer: ‘maar hier ben ik, en ik ben anders’. Eerst hebben we geprobeerd, als kerk, om dat te ontkennen. Daarna hebben we er een psychisch probleem van gemaakt. Psychiaters op jullie afgestuurd, pastoraat bedreven om te proberen je geaardheid te veranderen. Maar die bleek niet te veranderen. En jullie zijn er nog steeds en jullie zeggen: ‘hier ben ik.’ En wij zijn in de war als kerk. Want onze leer klopt niet meer helemaal met het leven. Het leven heeft teruggepraat. En wij zitten als kerk met elkaar in een grote identiteitscrisis. Een crisis die ongeveer elke kerk, van Rooms-Katholiek tot Pinkstergemeente, raakt. En die crisis leidde tot de verwarring en harde taal van afgelopen week.

Jullie zijn een indringende vraag aan ons. En de belangrijkste vraag die jullie aan ons stellen is: kunnen wij liefhebben wie anders zijn? Want als we later in Gods oordeel komen en voor Gods troon staan, dan zal de vraag aan ons niet zijn: ‘had je het juiste standpunt? Klopte je leer?’ Maar de vraag zal zijn: ‘heb je liefgehad, elke naaste, als jezelf?’





[i] Uit Bid, Luister, Leef van Rick Timmermans
[ii] Volgens mij heb ik deze van Arie-Jan Mulder, die dat zelf in elk geval nadrukkelijk in de praktijk brengt. 
[iii] Deze gedachte ontleen ik aan de mooie blog van Jan Wolsheimer http://www.eeuwigheid.nl/de-nashville-verklaring/
[iv] Zie Jesaja 40:27. Jesaja 42:1 is daar het antwoord op.
[v] Marcus 1:41
[vi] Op de Twitteraccount van Alex ten Cate.
[vii] Nav deze preek maakte mijn echtgenote de opmerking dat ik de lesbiënnes ben vergeten. Een terechte opmerking. Ik gebruik het woord homoseksueel voor zowel mannen als vrouwen. Dus lees het aub in die zin inclusief.
[viii] Ik merk dat ik in preken vaak een inclusief ‘ik’ gebruik in plaats van een inclusief ‘wij’. Zo laat dit 'ik' hier zich lezen.
[ix] Ik ben hier in de ‘wij’ ‘jullie’ gaan praten, merkte ik. Niet omdat ik niet geloof dat homo’s en transgenders ook bij het ‘wij’ van de kerk horen. Maar omdat de ‘jullie’ lange tijd buiten het blikveld van de kerk lagen, en pas relatief kort écht op ons netvlies staan. En omdat ik inderdaad geloof dat homoseksualiteit en transgenderisme een door God gegeven indringende vraag aan de kerk is.  

donderdag 31 mei 2018

Vrouw en ambt (reloaded)


Als je een tijdje de discussie over vrouwelijke ambtsdragers volgt word je vanzelf vrouw-en-ambt-moe. Ik tenminste wel. Een tijdlang werd de opiniepagina van het Nederlands Dagblad bezet door een wat vruchteloze herhaling van zetten. Dat komt doordat de discussie zich vaak op twee niveaus afspeelt: een exegetische en een hermeneutische.

De exegetische discussie spitst zich toe op de ‘zwijgteksten’. Afhankelijk van hoe woordbetekenissen en achterliggende historische situaties gereconstrueerd worden komt men tot een conclusie of de bijbel vrouwelijke ambtsdragers verbiedt of niet.

De hermeneutische discussie gaat een stap verder en stelt de vraag: op welke wijze kunnen wij in onze tijd de Bijbelse voorschriften toepassen, nu de verhouding tussen man en vrouw zo veranderd is? Vaak leidt deze hermeneutische redenering tot de opvatting dat we vandaag inderdaad ruimte moeten geven aan vrouwelijke ambtsdragers. Tegenstanders vinden dit een te makkelijke manier om je aan het gezag van de Bijbel te ontworstelen. In sommige kringen is ‘nieuwe hermeneutiek’ zelfs een woord geworden voor alles wat niet deugt in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.

In zijn nieuwste boek ‘Meedenken met Paulus’ kiest dr. Bert Loonstra voor de theologische insteek.
In de discussie rondom vrouwelijke ambtsdragers gaat het namelijk om concrete voorschriften van Paulus die hij soms ook op het Oude Testament (de wet) baseert. Loonstra stelt de terechte vraag welke plaats concrete voorschriften in Paulus’ theologie innemen, zeker wanneer hij zich in die voorschriften ook nog eens beroept op de wet uit het Oude Testament. Op een rustige manier legt hij de grondstructuur van het denken van Paulus bloot. Daarbij beschrijft hij vooral hoe God, Christus en de Geest zich in uitspraken van Paulus tot de wet verhouden. De conclusie van Loonstra is dat voor Paulus de wet als uiterlijke knechtende instantie sinds Christus en de Geest voorbij is. De grond voor die opvatting vindt hij bv 2 Korinte 3:6-7 “de letter doodt maar de Geest maakt levend” en Romeinen 7:6 “we dienen niet meer de oude orde van de wet, maar in de nieuwe orde van de Geest”. Loonstra hanteert deze teksten niet als losse bewijsteksten, maar als onderdeel van een uitgewerkte theologie van Paulus, waarin ook het kind-zijn in plaats van slaaf-zijn en daarmee de rol van de christelijke vrijheid aan de orde komen.

Dan komt wel de vraag op hoe het komt dat Paulus zelf nog concrete voorschriften geeft en die soms onderbouwt vanuit de wet. Loonstra komt tot de conclusie dat Paulus positief teruggrijpt op de wet als die teksten een expressie vormen van Gods bevrijdende liefde. Inhoudelijk staan ze dus altijd in het kader van het evangelie. Ook de geschreven wet staat bij Paulus uiteindelijk in dienst van het evangelie en heerst niet over het evangelie.

Voor wie meer van Loonstra gelezen heeft zijn deze denklijnen niet nieuw. Al in zijn boek ‘Zo goed en zo kwaad’ uit 2000 denkt hij uitgebreid na over de rol van de wet bij Paulus. Ook in zijn artikel in juni 2010 over ‘goede werken doen’ in Theologia Reformata vinden we dezelfde denklijnen. Daar is ook duidelijk dat hij veel van zijn gedachten ontleent aan het zogenaamde 'nieuwe perspectief op Paulus'. Op een onderbouwde manier neemt hij exegetische perspectieven uit die beweging mee in zijn lezing van Paulus. Het huidige boekje vind ik een rijp product van jarenlange bezinning op ethische uitspraken bij Paulus. Vandaar dat zijn uiteindelijke toepassing op vrouwelijke ambtsdragers niet in de lucht hangt, maar ingebed is in een betrokken lezen van Paulus. De conclusie is even helder als lastig: als het gaat om het leven als christen moeten we Paulus niet napraten, maar we moeten leren denken als Paulus. Dat geeft uitdaging genoeg. Het is overigens knap dat hij dit alles in slechts ruim 100 pagina's weet op te schrijven. 

Dat deze insteek van Loonstra nodig is ervoer ik gisteren toen ik in de bundel ‘zonen & dochters profeteren’ waar ik overigens zelf aan bijgedragen heb, het gedeelte over 1 Timoteus 2:9-15 las. Het was een plausibele exegetische reconstructie. Maar toch, er werd wel veel verondersteld, en dat is zo in elke exegese die ik van dit gedeelte heb gelezen. Als we de discussie alleen op exegetisch niveau voeren dan gaan op een gegeven moment de stemmen staken. We hebben er te weinig zekerheid over. De benadering van Loonstra biedt m.i. meer mogelijkheden om als christelijke gemeente vandaag een weg te vinden in ethische en praktische vraagstukken.

Overigens blijft daarbij het nauwkeurig lezen van de Bijbel en ook van Paulus’ voorschriften van belang. En om nog even reclame te maken: gisteren viel bij mij een bijbelstudieboekje op de mat dat de opbrengst van ‘zonen en dochters profeteren’ in 4 compacte hoofdstukken samenvat en begrijpelijk bespreekt. Het boekje heet ‘Samen met de vrouwen’ en bevat gespreksvragen en stellingen. Geschikt materiaal voor een gesprekskring. Zeker als in jouw gemeente dit thema erg speelt is dit de moeite waard. Let dan wel op dat dit boekje geschreven is door voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers. Dat kleurt ongetwijfeld de studies.

Ik merk in de praktijk dat veel christenen, vooral in de GKV waar het gesprek nu actueel is, wel gebaat zijn met enig overzicht in de discussie. Zonder dat er meteen een positie wordt ingenomen. De discussie is gelaagd en complex, en al te gauw wordt er met scherp op elkaar geschoten. Het zou mooi zijn als eens iemand de tijd zou hebben om een soort inleiding in deze discussie te geven. Het hebben van overzicht neemt vaak al een stuk onrust weg. En dat is ook wat waard.

zaterdag 14 oktober 2017

Over de GTU en kerkelijke eenheid

Het Nieuwe Testament ken slechts één kerk. Dat is een principieel gegeven. Er kan maar één kerk zijn omdat er één Heer is. De nieuwtestamentische kerkleer is stevig verankerd in de leer over Christus. Met zijn bloed heeft Hij voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, en Hij heeft daar voor God één koninkrijk uit gevormd (Opb. 5:9-10). De eenheid is ook urgent. Dat blijkt uit het gegeven dat vrijwel alle brieven van Paulus gaan over het bewaren van de eenheid. Steeds wordt de roep om eenheid gefundeerd in het evangelie: jullie hebben één Heer, jullie zijn allemaal door zijn ene offer gered én tot een eenheid gevormd en geroepen. Er ligt dus een rechtstreekse lijn tussen de juiste beleving van het evangelie en de roeping tot eenheid.

De vroege kerk heeft de principiële eenheid van de kerk vastgelegd in belijdenissen. De duidelijkste belijdenis is die van Nicea die van de kerk zegt: zij is één, heilig, katholiek en apostolisch. Vier woorden die elkaar wederzijds aanvullen en het beeld schetsen van een gemeenschap die geroepen is uit de wereld (heilig), gefundeerd op het apostolisch onderwijs aangaande Christus (apostolisch), tijd- en plaatsoverstijgend (katholiek) en daarom principieel één. Er kunnen niet meerdere heilige, katholieke, apostolische kerken zijn. De eenheid van de kerk zit in het hart van haar identiteit. En dat komt doordat de ene Heer in het hart van haar identiteit staat.

Sinds de eerste kerkscheuringen bestaat er iets wat principieel niet kan bestaan: meerdere kerken. Er zijn conflicten in het lichaam van Christus zo uit de hand gelopen dat het gevolg is dat christenen elkaar wederzijds hebben uitgesloten van het lichaam van Christus. Geen van de kerken heeft de eenheid bewaard en daarom kan geen van de kerken zich katholiek noemen, alle kerken zijn afgeweken van het apostolische onderwijs (die de eenheid van de kerk veronderstelt) en de heiligheid van de kerk, die erin bestaat dat ze het ene volk van God is, bestaat niet meer.

De huidige kerkelijke situatie laat zich daarom het best typeren als een Babylonische ballingschap: weg uit het beloofde land vanwege onze zonde. En de huidige kerkverbanden hebben alleen bestaansrecht als zij zichzelf zien als een noodverband: een tijdelijk verband van kerken om in de ballingschap te overleven totdat de eenheid weer teruggevonden is. Kerkverbanden ontlenen hun identiteit dus aan de diepe wens om zichzelf te kunnen opheffen bij het opgaan in een groter geheel.
Dit geldt dus ook voor een gereformeerde kerk die voluit kerk wil zijn. De vier elementen van Nicea zijn het hart van haar identiteit, en met vreugde zal zo’n gereformeerde kerk alles wat niet tot dat hart behoort prijsgeven vanwege eenheid met andere kerken.

Hoe verdrietig anders is de huidige opstelling van de Christelijke Gereformeerde Kerken, waar ik toe behoor. Met schaamte schrijf ik erover omdat het lijkt alsof de beleving van kerkverband als noodverband helemaal weg is ten gunste van een beleving waarbij het ‘eigene’ van de CGK wordt benadrukt als iets dat beschermd moet worden tegen anderen. Het negatieve besluit van de synode over de Gereformeerde Theologische Universiteit (GTU) is formeel niet genomen vanwege deze eigenheid. Maar in de wandelgangen speelt het een grote rol. Opvallend is dat de synode geen hand meer uitsteekt naar de partners in deze samenwerking om een andere weg te vinden om de opleiding samen te doen.

Nu is er met iets eigens als zodanig niks mis. Maar de CGK is het eigene gaan koesteren als iets dat tot het hart van haar identiteit behoort en dat tegen het samengaan met andere kerken beschermd moet worden. En daarmee is het kerkverband een principiële grens overgegaan. Niet de vier elementen van Nicea vormen het hart van haar identiteit, maar er is iets bijgekomen dat als een koekoeksjong de andere dingen uit het nest dreigt te werpen.

Het duidelijkst is dat zichtbaar in het synodebesluit over de afvaardiging van niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers naar de classis. In dat besluit is binnenkerkelijke eenheid tot een zelfstandig principe verheven. Dus kerkelijke eenheid (waar binnenkerkelijke eenheid uiteraard onderdeel van is) is niet het enige principe, maar er is een tweede principe bijgekomen, binnenkerkelijke eenheid, dat nu op papier evenveel gewicht krijgt als kerkelijke eenheid. De gevolgen van die stap zijn direct zichtbaar geworden. De synode is in de besluitvorming over dit aangelegen punt namelijk over ‘botsende principes’ gaan spreken. Dus het principe binnenkerkelijke eenheid ‘botst’ nu met het principe kerkelijke eenheid. En op basis daarvan wordt een besluit genomen over de samenwerking met andere kerken dat maar één kant kan opvallen, namelijk: de rem er op. In de praktijk blijkt binnenkerkelijke eenheid zwaarder te wegen dan kerkelijke eenheid. Vanaf nu kan elke minderheid die zicht bezwaard voelt door eenheid met andere kerken zich op de binnenkerkelijke eenheid beroepen en het samenwerkingsproces blijvend onder druk zetten.

Hier gebeurt iets wat principieel onjuist is. Als we namelijk belijden dat de kerk één, heilig, apostolisch en katholiek is, dan is er maar één eenheid. Die van de kerk. Als je constateert dat de eenheid met andere kerken een principiële zaak is (zoals de synode terecht doet), dan hebben mensen die daar moeite mee hebben een geestelijk probleem, en dáár moet wat aan gedaan worden. Maar als je van binnenkerkelijke eenheid een apart principe maakt ontstaat er ruimte om die ongeestelijke moeite blijvend een reden te laten zijn om de samenwerking met andere kerken tegen te houden.

In de kerkelijke eenheid gaat het uiteindelijk om de eenheid van Christus. De dringende vraag aan de CGK is nu: zijn we bereid om Zijn eenheid het hart van onze identiteit te laten uitmaken?

Naschrift: ik kreeg van verscheidene kanten de reactie dat 'wandelgangen' als basis voor mijn opvatting over het GTU-besluit van de christelijk-gereformeerde synode niet zo stevig is. Omdat het complete besluit nog niet gepubliceerd is, en de bespreking achter gesloten deuren was, kan ik inderdaad niet volledig en in alle nuance overzien wat de werkelijke reden voor dit besluit is geweest, en bestaat de kans dat ik de broeders ter synode geen recht heb gedaan. Wat ik schrijf over de wijze waarop de CGK omgaan met de 'eigenheid' en binnenkerkelijke eenheid is iets waar ik nog steeds achter sta, maar de link met het GTU-besluit is te voorbarig geweest.

N.b. over het besluit om niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers niet naar de classis af te vaardigen schreef ik al eerder.