maandag 14 januari 2019

Preek naar aanleiding van de Nashville-verklaring


Zondagmorgen 13 januari 2019 hield ik een preek naar aanleiding van de Nashville-verklaring. Normaal schrijf ik mijn preken niet uit. Op verzoek doe ik dat dit keer wel. Dit is in grote lijnen de preek die ik gisteren in de CGK van Zutphen hield. Ik vraag jullie deze te lezen met in het achterhoofd dat de preek voor deze concrete gemeente is geschreven. Dit kleurt mijn bewoordingen en voorbeelden. Verder is de preek best lang. In de eerste helft zet ik een visie op de gemeente neer. Pas in de tweede helft spreek ik dan concreter over homoseksuelen en transgenders. Doorscrollen mag :-) 

Waarom deze preek? 
Er is de achterliggende week een bom ontploft in christelijk Nederland. Een bom geladen met onzorgvuldig gekozen woorden. Een bom die ook te vroeg is afgegaan. En de schade is groot. Het scherven rapen is nog maar net begonnen. Sommigen van ons voelden verdriet, omdat het ging om over onze eigen vriend of vriendin, of ons eigen kind. Anderen voelden zich genoodzaakt om op hun werk hierop in te gaan, omdat hun collega’s er niets van begrepen. Misschien voelde je ook wel verdriet omdat je dacht: ‘dat gewone geloof dat we vroeger hadden, waarin we dingen duidelijk mochten zeggen, mag dat nog wel? Mogen we nog wel gewoon zeggen wat de Bijbel zegt?’ Het leidde tot boze christenen onderling. En dat levert misschien nog wel de meeste schade op: gelovigen die elkaar met woorden te lijf gaan.

Ik had het deze week een beetje druk, en daarom had ik de preek voor deze zondag vorige week al geschreven. De preek zou gaan over de doop van Jezus. In dat bijbelgedeelte (Lucas 3:20-21) horen we hoe de Vader tegen Jezus zegt: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’ Dat zijn woorden uit Jesaja 42:1-7. Toen ik die tekst vorige week, nog voor het hele Nashville-gebeuren, las, vond ik dat al een hele mooie tekst over Jezus: Hij zoekt geen woordenstrijd op maar Hij heeft liefde voor kwetsbare mensen. Vorige week zondagmorgen, toen die bom net was afgegaan, las ik volgens mijn bijbelleesrooster[i] diezelfde tekst in Matteus 12:14-21, waar opnieuw diezelfde tekst instaat: geen woordenstrijd, maar oog voor kwetsbare mensen. En die tekst heb ik in mijn achterhoofd gehouden bij mijn eigen reacties op het thema van de Nashville-verklaring. Hoe wij praten, welke woorden wij gebruiken, dat betekent ontzettend veel.

Ik heb mezelf altijd voorgenomen om de kerkdienst nooit te gebruiken om over ‘kwesties’ te preken. Simpelweg omdat ik dan 20 minuten tot een half uur heb om mijn standpunt uiteen te zetten, en u als gemeente niet terug kunt praten. Dat acht ik weinig opbouwend. En iemand zei eens tegen mij: ‘je kunt in de kerk heel goed een discussie winnen, maar je broeder of zuster verliezen.’[ii] Daarom preek ik vandaag niet over dit thema om een discussie te winnen. Ik ben zelf trouwens ook nog wat zoekend. Maar ik preek erover omdat ik denk dat deze tekst ons vandaag allemaal wat te zeggen heeft. Deze tekst werpt licht op de vraag: wat voor kerk zijn wij eigenlijk?

Wat voor kerk? 
We lopen namelijk als gereformeerden het risico om een standpuntenkerk te zijn[iii]. We schrijven dan een beleidsnotitie over vrouw en ambt, ongehuwd samenwonen of de kinderdoop, en we gebruiken vervolgens het standpunt om elkaar aan af te meten en te zeggen: ‘jij deugt wel en jij deugt niet’. Maar als op die manier standpunten in het centrum van het kerk-zijn komen te staan, dan zullen onze woorden elkaar schade berokkenen. Geknakte rieten worden gebroken en de kwijnende vlam dooft uit. Als we op die manier kerk zijn, dan volgen we Jezus sowieso niet. Als Jezus in de wereld komt dan komt Hij niet om standpunten te verkondigen en daar mensen op af te rekenen. Jezus gaat vaak in gesprek met mensen. Maar op het moment dat zo’n gesprek de sfeer krijgt van een discussie waarin ze Jezus willen pakken, dan loopt Hij weg. Niet dat Hij de discussie niet kan winnen, we zien in de Bijbel genoeg voorbeelden dat Hij dat wel kan. Maar het was gewoon z’n doel niet.

De geschiedenis van Matteus 12 laat dat ook zien. De Farizeeën staan in de synagoge te kijken of ze Jezus kunnen betrappen op het overtreden van het sabbatsgebod. Ze hebben in de eeuwen daarvoor geleerd om de Schriften zo te lezen dat het voor hen heel duidelijk is: op de sabbat mag je niet werken. Ze hebben met elkaar de Schrift uitgelegd en ze hebben er een vrij goed beeld van wat er allemaal wel mag en wat er niet mag op de sabbat. En ze proberen nu Jezus op dat punt te pakken. En Jezus kiest één goed voorbeeld om uit te leggen wat hij gaat doen: het voorbeeld van een schaap dat in een kuil valt en dat je ook op de sabbat redt. En vervolgens geneest Hij de man die daar ziek in de synagoge zit. Vervolgens loopt Hij naar buiten, want Hij is niet gekomen om die discussie te winnen, maar om die gekwetste man met zijn zere arm bij God te brengen. En zo gaat Hij vervolgens ook om met zijn identiteit als Zoon van God (Mat. 12:16). Hij praat daar liever niet over. Omdat dat afleidt van zijn werkelijke missie, het redden van mensen.

En dat is dan ook de reden dat Matteus in hoofdstuk 12 die woorden uit Jesaja 42 weer oppikt. Mensen willen een woordenstrijd, maar Jezus is in deze wereld gekomen om het recht van God te brengen. Dat recht moeten we trouwens hier niet juridisch lezen, alsof Jezus met een lijst geboden komt. Als we deze tekst in Jesaja[iv] en Matteus in de context lezen dan blijkt dat het ergens anders om gaat. Het recht van God dat komt overeen met een situatie van herstel, heelheid en vrede. Iets waar we ons nu nauwelijks iets bij voor kunnen stellen omdat we geloven dat Jezus dat in de toekomst pas echt komt brengen.

Jezus brengt die situatie van heelheid en vrede niet door de juiste mening heel hard te verkondigen. Maar Jezus brengt Gods recht door wie Hij is. Rondom Jezus komen mensen tot hun recht. Hij brengt mensen binnen in de liefde van God. Daarvoor is Hij gekomen. En daarbij gaat Jezus het voorzichtigst om met mensen die kwetsbaar zijn. Mensen die anders zijn, om dat woord maar te gebruiken, mensen die aan de rand van de samenleving staan, die ontvangen de bijzondere aandacht van Jezus. Symbolisch vind ik zijn omgang met melaatsen. Die mensen mochten niet in hun dorp wonen. Die hoorden er niet bij. Ze mochten door niemand aangeraakt worden, maar Jezus strekt zijn hand uit en raakt ze aan.[v] Dat is zoals Hij optreedt. Jezus omarmt kwetsbare mensen en brengt ze thuis in de liefde van God.

Wat betekent dit optreden van de Heer nu voor de kerk van vandaag? Ik las er van de week een treffend beeld over.[vi] Er was een boer in Amerika en die boer had geen hek om zijn land. Een Nederlandse toerist vroeg hem: ‘waarom heb jij geen hek om je land?’ De boer zei: ‘in het midden ligt een bron.’ Dat beeld appeleert bij mij aan een diep verlangen als het gaat om de kerk. Dat we niet onze identiteit als kerk laten bepalen door hekken en grenzen, maar dat we dat laten bepalen door de bron die in het midden ligt. Iedereen die daar naartoe wil geven we vrije toegang. En als mensen van die bron drinken, dan gaat er echt wel wat met ze gebeuren. Maar we hoeven als medechristenen niet angstvallig te controleren wát er dan gaat gebeuren. Een prachtig beeld: een kerk die niet bepaald wordt door een hek, maar door een bron.

Hoe omgaan met homoseksuelen en transgenders? 
Vanuit deze houding wil ik dan iets zeggen over hoe we als gelovigen vandaag zouden moeten omgaan met homoseksuelen en transgenders. En dan besef ik heel goed dat ik hier voor me mensen zien die daar heel persoonlijk mee te maken hebben. Misschien wachten jullie wel op een duidelijk standpunt van mij. Ik vind het lastig om dat te geven, om de reden die ik al zei. Ik vind de preek daar niet het geschikte medium voor. En eigenlijk denk ik dat die duidelijke mening niet zo heel erg belangrijk is. De vraag die belangrijker is is: hoe gaan we om met iemand die vanwege zijn of haar geaardheid het risico loopt gekwetst te worden, juist in de kerk. En ik hoop dat wij met elkaar in staat zijn om de houding van Jezus te laten zien. Omarmend richting mensen, ongeacht welke opvatting je precies hebt over het huwelijk. Omarmend richting mensen, die – en dan zeg ik het maar weer – anders zijn.

Ik heb trouwens op een bepaalde manier ook moeite met dat taalgebruik, over anders-zijn, omarmen, naast mensen gaan staan en zo. Voor je het weet straal ik namelijk uit als heteroseksuele getrouwde man die voorzover anderen weten keurig binnen de lijntjes kleurt. Dat ik als hetero voorzichtig omga met jou als homo[vii] of transgender. Dat is nogal neerbuigend. Ik die het netjes doe ga voorzichtig om met jou die het minder netjes doet. Alsof ik door mijn hetero zijn al beter ben dan een ander. En ik wil het niet zo zien. Maar in dat taalgebruik laat ik het vaak wel zien. En dat is mijn zonde. Op die manier kijken naar jou als medemens. En ik doe mijn best om je te zien als 100% gelijk aan mij.

Maar dat kan alleen door de genade van de Here Jezus. Omgaan met medemensen lukt alleen als ik[viii] mezelf heb laten zien als zo’n geknakt riet en kwijnende vlam, opgeraapt door Jezus. Want wat Jezus hier zegt dat gaat niet alleen over mensen die wij naar de rand toeschuiven. Dit gaat over elk mens. Dit is wat wij zijn: een bevend rietje. En als we niet door Jezus worden opgeraapt dan zijn we helemaal niets. Als we niet thuisgebracht zijn in de liefde van God dan hebben we geen leven.

Komende middagdiensten preek ik uit de Dordtse Leerregels. En die leerregels proberen te verwoorden dat genade ook echt genade is. Dat je 100% uit genade gered bent. Want, zo zegt dat geschrift, alleen als je beseft dat je uit genade gered bent dan leer je een nederige houding tegenover andere mensen. Tegenover God zijn we allemaal gelijk omdat we allemaal hetzelfde nodig hebben. En we zijn alleen gered dankzij de genade van Jezus Christus.

Ik ga ervan uit dat er deze ochtend homoseksuelen en transgenders in de kerk zitten. En stel je voor dat je dat aan nog niemand hebt verteld, dan wil ik je uitnodigen om dat te vertellen aan iemand uit de kerk die je vertrouwt. En dan hoop ik simpelweg dat God ons de genade geeft om goed met je om te gaan. Want heel eerlijk. Met jou ben ik daar nog niet helemaal gerust op. Want hoe komt het dat ik onder de 200+ leden van onze kerk niemand ken die homoseksueel of transgender is? Het zou heel toevallig zijn als er echt niemand is. Ik ken een beetje statistiek en als er zo’n 5 tot 7% van de bevolking anders geaard is dan moeten we er dus in onze kerk een stuk of 10 hebben. Het kan natuurlijk zijn dat ze er ooit waren en inmiddels weg zijn. Het kan ook zijn dat ze nog heel onveilig in de kast zitten. En dat roept bij mij de vraag op: zijn wij als kerk werkelijk een veilige plek? Wat dat betreft zijn we helaas zo veilig als de onveiligste schakel. Maar ik hoop en bid dat Gods ons leert en helpt om het goed te doen.

Er is nog een probleem dat we als kerk hebben. En dat zit opnieuw in de taal die, ook ik, vaak uit. Dat zit er in als we tegen jou als homo of transgender zeggen: jij hebt een probleem en ik kom naast jou staan en ik draag dat probleem met je mee. En dat is goed bedoeld en als mensen dat zeggen dan kun je daar blij mee zijn.

Maar achterliggende week heb ik opnieuw gezien dat jij niet degene bent met het probleem, maar wij, als kerk. Wij hebben een probleem en dat is de achterliggende week heel groot naar buiten gekomen. Wij hadden namelijk onze leer keurig op orde. Het klopte, we begrepen het en we konden het uitleggen. God heeft man en vrouw geschapen en aan elkaar gegeven en zo is het. En alles wat anders is, dat is niet goed. En toen kwamen jullie[ix]. En jullie legden de terechte vraag in het midden van de kerk neer: ‘maar hier ben ik, en ik ben anders’. Eerst hebben we geprobeerd, als kerk, om dat te ontkennen. Daarna hebben we er een psychisch probleem van gemaakt. Psychiaters op jullie afgestuurd, pastoraat bedreven om te proberen je geaardheid te veranderen. Maar die bleek niet te veranderen. En jullie zijn er nog steeds en jullie zeggen: ‘hier ben ik.’ En wij zijn in de war als kerk. Want onze leer klopt niet meer helemaal met het leven. Het leven heeft teruggepraat. En wij zitten als kerk met elkaar in een grote identiteitscrisis. Een crisis die ongeveer elke kerk, van Rooms-Katholiek tot Pinkstergemeente, raakt. En die crisis leidde tot de verwarring en harde taal van afgelopen week.

Jullie zijn een indringende vraag aan ons. En de belangrijkste vraag die jullie aan ons stellen is: kunnen wij liefhebben wie anders zijn? Want als we later in Gods oordeel komen en voor Gods troon staan, dan zal de vraag aan ons niet zijn: ‘had je het juiste standpunt? Klopte je leer?’ Maar de vraag zal zijn: ‘heb je liefgehad, elke naaste, als jezelf?’





[i] Uit Bid, Luister, Leef van Rick Timmermans
[ii] Volgens mij heb ik deze van Arie-Jan Mulder, die dat zelf in elk geval nadrukkelijk in de praktijk brengt. 
[iii] Deze gedachte ontleen ik aan de mooie blog van Jan Wolsheimer http://www.eeuwigheid.nl/de-nashville-verklaring/
[iv] Zie Jesaja 40:27. Jesaja 42:1 is daar het antwoord op.
[v] Marcus 1:41
[vi] Op de Twitteraccount van Alex ten Cate.
[vii] Nav deze preek maakte mijn echtgenote de opmerking dat ik de lesbiënnes ben vergeten. Een terechte opmerking. Ik gebruik het woord homoseksueel voor zowel mannen als vrouwen. Dus lees het aub in die zin inclusief.
[viii] Ik merk dat ik in preken vaak een inclusief ‘ik’ gebruik in plaats van een inclusief ‘wij’. Zo laat dit 'ik' hier zich lezen.
[ix] Ik ben hier in de ‘wij’ ‘jullie’ gaan praten, merkte ik. Niet omdat ik niet geloof dat homo’s en transgenders ook bij het ‘wij’ van de kerk horen. Maar omdat de ‘jullie’ lange tijd buiten het blikveld van de kerk lagen, en pas relatief kort écht op ons netvlies staan. En omdat ik inderdaad geloof dat homoseksualiteit en transgenderisme een door God gegeven indringende vraag aan de kerk is.  

donderdag 31 mei 2018

Vrouw en ambt (reloaded)


Als je een tijdje de discussie over vrouwelijke ambtsdragers volgt word je vanzelf vrouw-en-ambt-moe. Ik tenminste wel. Een tijdlang werd de opiniepagina van het Nederlands Dagblad bezet door een wat vruchteloze herhaling van zetten. Dat komt doordat de discussie zich vaak op twee niveaus afspeelt: een exegetische en een hermeneutische.

De exegetische discussie spitst zich toe op de ‘zwijgteksten’. Afhankelijk van hoe woordbetekenissen en achterliggende historische situaties gereconstrueerd worden komt men tot een conclusie of de bijbel vrouwelijke ambtsdragers verbiedt of niet.

De hermeneutische discussie gaat een stap verder en stelt de vraag: op welke wijze kunnen wij in onze tijd de Bijbelse voorschriften toepassen, nu de verhouding tussen man en vrouw zo veranderd is? Vaak leidt deze hermeneutische redenering tot de opvatting dat we vandaag inderdaad ruimte moeten geven aan vrouwelijke ambtsdragers. Tegenstanders vinden dit een te makkelijke manier om je aan het gezag van de Bijbel te ontworstelen. In sommige kringen is ‘nieuwe hermeneutiek’ zelfs een woord geworden voor alles wat niet deugt in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.

In zijn nieuwste boek ‘Meedenken met Paulus’ kiest dr. Bert Loonstra voor de theologische insteek.
In de discussie rondom vrouwelijke ambtsdragers gaat het namelijk om concrete voorschriften van Paulus die hij soms ook op het Oude Testament (de wet) baseert. Loonstra stelt de terechte vraag welke plaats concrete voorschriften in Paulus’ theologie innemen, zeker wanneer hij zich in die voorschriften ook nog eens beroept op de wet uit het Oude Testament. Op een rustige manier legt hij de grondstructuur van het denken van Paulus bloot. Daarbij beschrijft hij vooral hoe God, Christus en de Geest zich in uitspraken van Paulus tot de wet verhouden. De conclusie van Loonstra is dat voor Paulus de wet als uiterlijke knechtende instantie sinds Christus en de Geest voorbij is. De grond voor die opvatting vindt hij bv 2 Korinte 3:6-7 “de letter doodt maar de Geest maakt levend” en Romeinen 7:6 “we dienen niet meer de oude orde van de wet, maar in de nieuwe orde van de Geest”. Loonstra hanteert deze teksten niet als losse bewijsteksten, maar als onderdeel van een uitgewerkte theologie van Paulus, waarin ook het kind-zijn in plaats van slaaf-zijn en daarmee de rol van de christelijke vrijheid aan de orde komen.

Dan komt wel de vraag op hoe het komt dat Paulus zelf nog concrete voorschriften geeft en die soms onderbouwt vanuit de wet. Loonstra komt tot de conclusie dat Paulus positief teruggrijpt op de wet als die teksten een expressie vormen van Gods bevrijdende liefde. Inhoudelijk staan ze dus altijd in het kader van het evangelie. Ook de geschreven wet staat bij Paulus uiteindelijk in dienst van het evangelie en heerst niet over het evangelie.

Voor wie meer van Loonstra gelezen heeft zijn deze denklijnen niet nieuw. Al in zijn boek ‘Zo goed en zo kwaad’ uit 2000 denkt hij uitgebreid na over de rol van de wet bij Paulus. Ook in zijn artikel in juni 2010 over ‘goede werken doen’ in Theologia Reformata vinden we dezelfde denklijnen. Daar is ook duidelijk dat hij veel van zijn gedachten ontleent aan het zogenaamde 'nieuwe perspectief op Paulus'. Op een onderbouwde manier neemt hij exegetische perspectieven uit die beweging mee in zijn lezing van Paulus. Het huidige boekje vind ik een rijp product van jarenlange bezinning op ethische uitspraken bij Paulus. Vandaar dat zijn uiteindelijke toepassing op vrouwelijke ambtsdragers niet in de lucht hangt, maar ingebed is in een betrokken lezen van Paulus. De conclusie is even helder als lastig: als het gaat om het leven als christen moeten we Paulus niet napraten, maar we moeten leren denken als Paulus. Dat geeft uitdaging genoeg. Het is overigens knap dat hij dit alles in slechts ruim 100 pagina's weet op te schrijven. 

Dat deze insteek van Loonstra nodig is ervoer ik gisteren toen ik in de bundel ‘zonen & dochters profeteren’ waar ik overigens zelf aan bijgedragen heb, het gedeelte over 1 Timoteus 2:9-15 las. Het was een plausibele exegetische reconstructie. Maar toch, er werd wel veel verondersteld, en dat is zo in elke exegese die ik van dit gedeelte heb gelezen. Als we de discussie alleen op exegetisch niveau voeren dan gaan op een gegeven moment de stemmen staken. We hebben er te weinig zekerheid over. De benadering van Loonstra biedt m.i. meer mogelijkheden om als christelijke gemeente vandaag een weg te vinden in ethische en praktische vraagstukken.

Overigens blijft daarbij het nauwkeurig lezen van de Bijbel en ook van Paulus’ voorschriften van belang. En om nog even reclame te maken: gisteren viel bij mij een bijbelstudieboekje op de mat dat de opbrengst van ‘zonen en dochters profeteren’ in 4 compacte hoofdstukken samenvat en begrijpelijk bespreekt. Het boekje heet ‘Samen met de vrouwen’ en bevat gespreksvragen en stellingen. Geschikt materiaal voor een gesprekskring. Zeker als in jouw gemeente dit thema erg speelt is dit de moeite waard. Let dan wel op dat dit boekje geschreven is door voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers. Dat kleurt ongetwijfeld de studies.

Ik merk in de praktijk dat veel christenen, vooral in de GKV waar het gesprek nu actueel is, wel gebaat zijn met enig overzicht in de discussie. Zonder dat er meteen een positie wordt ingenomen. De discussie is gelaagd en complex, en al te gauw wordt er met scherp op elkaar geschoten. Het zou mooi zijn als eens iemand de tijd zou hebben om een soort inleiding in deze discussie te geven. Het hebben van overzicht neemt vaak al een stuk onrust weg. En dat is ook wat waard.

zaterdag 14 oktober 2017

Over de GTU en kerkelijke eenheid

Het Nieuwe Testament ken slechts één kerk. Dat is een principieel gegeven. Er kan maar één kerk zijn omdat er één Heer is. De nieuwtestamentische kerkleer is stevig verankerd in de leer over Christus. Met zijn bloed heeft Hij voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, en Hij heeft daar voor God één koninkrijk uit gevormd (Opb. 5:9-10). De eenheid is ook urgent. Dat blijkt uit het gegeven dat vrijwel alle brieven van Paulus gaan over het bewaren van de eenheid. Steeds wordt de roep om eenheid gefundeerd in het evangelie: jullie hebben één Heer, jullie zijn allemaal door zijn ene offer gered én tot een eenheid gevormd en geroepen. Er ligt dus een rechtstreekse lijn tussen de juiste beleving van het evangelie en de roeping tot eenheid.

De vroege kerk heeft de principiële eenheid van de kerk vastgelegd in belijdenissen. De duidelijkste belijdenis is die van Nicea die van de kerk zegt: zij is één, heilig, katholiek en apostolisch. Vier woorden die elkaar wederzijds aanvullen en het beeld schetsen van een gemeenschap die geroepen is uit de wereld (heilig), gefundeerd op het apostolisch onderwijs aangaande Christus (apostolisch), tijd- en plaatsoverstijgend (katholiek) en daarom principieel één. Er kunnen niet meerdere heilige, katholieke, apostolische kerken zijn. De eenheid van de kerk zit in het hart van haar identiteit. En dat komt doordat de ene Heer in het hart van haar identiteit staat.

Sinds de eerste kerkscheuringen bestaat er iets wat principieel niet kan bestaan: meerdere kerken. Er zijn conflicten in het lichaam van Christus zo uit de hand gelopen dat het gevolg is dat christenen elkaar wederzijds hebben uitgesloten van het lichaam van Christus. Geen van de kerken heeft de eenheid bewaard en daarom kan geen van de kerken zich katholiek noemen, alle kerken zijn afgeweken van het apostolische onderwijs (die de eenheid van de kerk veronderstelt) en de heiligheid van de kerk, die erin bestaat dat ze het ene volk van God is, bestaat niet meer.

De huidige kerkelijke situatie laat zich daarom het best typeren als een Babylonische ballingschap: weg uit het beloofde land vanwege onze zonde. En de huidige kerkverbanden hebben alleen bestaansrecht als zij zichzelf zien als een noodverband: een tijdelijk verband van kerken om in de ballingschap te overleven totdat de eenheid weer teruggevonden is. Kerkverbanden ontlenen hun identiteit dus aan de diepe wens om zichzelf te kunnen opheffen bij het opgaan in een groter geheel.
Dit geldt dus ook voor een gereformeerde kerk die voluit kerk wil zijn. De vier elementen van Nicea zijn het hart van haar identiteit, en met vreugde zal zo’n gereformeerde kerk alles wat niet tot dat hart behoort prijsgeven vanwege eenheid met andere kerken.

Hoe verdrietig anders is de huidige opstelling van de Christelijke Gereformeerde Kerken, waar ik toe behoor. Met schaamte schrijf ik erover omdat het lijkt alsof de beleving van kerkverband als noodverband helemaal weg is ten gunste van een beleving waarbij het ‘eigene’ van de CGK wordt benadrukt als iets dat beschermd moet worden tegen anderen. Het negatieve besluit van de synode over de Gereformeerde Theologische Universiteit (GTU) is formeel niet genomen vanwege deze eigenheid. Maar in de wandelgangen speelt het een grote rol. Opvallend is dat de synode geen hand meer uitsteekt naar de partners in deze samenwerking om een andere weg te vinden om de opleiding samen te doen.

Nu is er met iets eigens als zodanig niks mis. Maar de CGK is het eigene gaan koesteren als iets dat tot het hart van haar identiteit behoort en dat tegen het samengaan met andere kerken beschermd moet worden. En daarmee is het kerkverband een principiële grens overgegaan. Niet de vier elementen van Nicea vormen het hart van haar identiteit, maar er is iets bijgekomen dat als een koekoeksjong de andere dingen uit het nest dreigt te werpen.

Het duidelijkst is dat zichtbaar in het synodebesluit over de afvaardiging van niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers naar de classis. In dat besluit is binnenkerkelijke eenheid tot een zelfstandig principe verheven. Dus kerkelijke eenheid (waar binnenkerkelijke eenheid uiteraard onderdeel van is) is niet het enige principe, maar er is een tweede principe bijgekomen, binnenkerkelijke eenheid, dat nu op papier evenveel gewicht krijgt als kerkelijke eenheid. De gevolgen van die stap zijn direct zichtbaar geworden. De synode is in de besluitvorming over dit aangelegen punt namelijk over ‘botsende principes’ gaan spreken. Dus het principe binnenkerkelijke eenheid ‘botst’ nu met het principe kerkelijke eenheid. En op basis daarvan wordt een besluit genomen over de samenwerking met andere kerken dat maar één kant kan opvallen, namelijk: de rem er op. In de praktijk blijkt binnenkerkelijke eenheid zwaarder te wegen dan kerkelijke eenheid. Vanaf nu kan elke minderheid die zicht bezwaard voelt door eenheid met andere kerken zich op de binnenkerkelijke eenheid beroepen en het samenwerkingsproces blijvend onder druk zetten.

Hier gebeurt iets wat principieel onjuist is. Als we namelijk belijden dat de kerk één, heilig, apostolisch en katholiek is, dan is er maar één eenheid. Die van de kerk. Als je constateert dat de eenheid met andere kerken een principiële zaak is (zoals de synode terecht doet), dan hebben mensen die daar moeite mee hebben een geestelijk probleem, en dáár moet wat aan gedaan worden. Maar als je van binnenkerkelijke eenheid een apart principe maakt ontstaat er ruimte om die ongeestelijke moeite blijvend een reden te laten zijn om de samenwerking met andere kerken tegen te houden.

In de kerkelijke eenheid gaat het uiteindelijk om de eenheid van Christus. De dringende vraag aan de CGK is nu: zijn we bereid om Zijn eenheid het hart van onze identiteit te laten uitmaken?

Naschrift: Van verschillende kanten kreeg ik de reactie dat de 'wandelgangen' als basis voor mijn opvatting over het GTU-besluit niet zo stevig is. Omdat het complete besluit nog niet gepubliceerd is, en de bespreking achter gesloten deuren was, kan ik niet compleet en in alle nuance overzien wat de overwegingen voor de broeders ter synode zijn geweest om tegen de GTU te stemmen, en bestaat de kans dat ik hen geen recht heb gedaan. Voor wat betreft mijn opvatting over de wijze waarop de CGK omgaan met hun eigenheid en binnenkerkelijke eenheid is het besluit over het niet-afvaardigen van niet-christelijk-gereformeerde-ambtsdragers een betere basis. De link met het GTU-besluit die ik leg is te voorbarig geweest. 

N.b. over het besluit om niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers niet naar de classis af te vaardigen schreef ik al eerder.

woensdag 20 september 2017

Genderneutrale ophef

In Nederland is er ongeveer eens per maand flinke ophef over het thema genderneutraal, of het nu de aanspreekvorm van de NS is, genderneutrale toiletten of de kinderkleding van de HEMA. Het is een thema dat uitnodigt om een stevige mening te hebben en te ventileren. Het raakt blijkbaar de emotie. Zelf heb ik me tot vandaag wat op de vlakte gehouden. Aan de ene kant omdat ik hier nu eens niet een heel stellige mening over heb. Aan de andere kant omdat de mening die ik aan het vormen ben afwijkt van de subcultuur waarin ik leef: het conservatieve christendom. Net als de meeste anderen wijk ik niet graag af van de om me heen geldende mening.

De toon waarop conservatieve christenen over dit thema spreken varieert van: ‘ik vind het een non-issue’ tot, ‘weer een teken van het gegeven dat we met een klassieke christelijke opvatting in een hoek gezet worden door links’. God schiep man en vrouw, dat is de scheppingsorde, en daarvan afwijken is afwijken van Gods wil en een teken van verval van de samenleving.

Vanuit de Bijbel valt er ook op een andere manier naar te kijken. Een tekst die hier onmiddellijk bij mij naar boven komt is Galaten 3:28.
Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij zijt immers één in Christus Jezus.
Geparafraseerd ziet dat er zo uit: in het Koninkrijk van God doet je ras, sociale status en gender er niet toe. Vaak wordt dit gezien als alleen een relativering van deze dingen (ze blijven immers voortbestaan en dat klopt), maar het is meer dan een relativering. Het is met het oog op Gods rijk irrelevant.

Dat het hier om een ingrijpende opvatting gaat is te zien aan het gegeven dat Paulus hier exact de Griekse woorden gebruikt die in Genesis 1:27 staan: Mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen. De zogenaamde scheppingsorde: in Christus doet het er niet toe.

Het is belangrijk om goed te lezen: er wordt in deze tekst niet gezegd dat je geen man of vrouw mag zijn. Het doet er alleen niet meer toe. Daarom zien we in het Nieuwe Testament naast een lijn waarin mensen man en vrouw zijn en het huwelijk in ere wordt gehouden ook een lijn waarin ineens ongedachte dingen gebeuren.

Eunuchen
Denk aan de eerste heiden die tot geloof komt. Een eunuch, iemand die om politieke redenen gecastreerd is, en daardoor een uiterlijk ontwikkelt met veel vrouwelijke kenmerken. In Handelingen 8:27 wordt hij aangeduid als een Ethiopische man, omdat dat de manier is om te zeggen dat iemand uit een bepaald land afkomstig is. Maar verder wordt hij consequent sekseneutraal aangeduid als Eunuch. Vanuit de scheppingsorde zou je deze man kunnen benaderen als een gemankeerde, hij heeft geen geslacht. Maar in het hele Schriftgedeelte wordt zijn ontmande staat nergens geproblematiseerd. Ook geeft Filippus hem zijn mannelijkheid niet terug, terwijl er in het Nieuwe Testament toch wel grotere wonderen gebeuren. Blijkbaar maakt het niet uit! Hij leert Jezus kennen en vervolgt zijn weg met blijdschap. Dat is het. Jezus zelf doet er in Matteus 19:12 trouwens nog een schepje bovenop door mensen die zichzelf ontmannen met het oog op Gods rijk met ere te noemen.

Vanuit deze achtergrond is het niet te verdedigen dat christenen vandaag zich uiten alsof het Koninkrijk zelf in het geding is als er meer ruimte gegeven wordt aan mensen die een onduidelijke genderidentiteit hebben, of als winkels aandacht geven aan kinderen die zich niet happy voelen in stereotype kleding. En het is al helemaal tenenkrommend als men daarbij zelf in de slachtofferrol kruipt: “binnenkort mogen we niet eens meer vinden dat mannen gewoon mannen zijn en vrouwen gewoon vrouwen.”

Ik denk dat we vaak niet begrijpen hoe diep Galaten 3:28 in ons mannelijk en vrouwelijk vlees snijdt. ‘Normale’ mannen en vrouwen zijn geneigd om hun identiteit voor een heel groot deel op hun mannelijkheid of vrouwelijkheid te baseren. Het bepaalt met wie ze omgaan, hoe ze zich kleden, hoe de machtsverdeling in een relatie vorm krijgt, etc. En dat voelt voor ‘normale’ mannen en vrouwen allemaal diep vanzelfsprekend. En van dit alles zegt Paulus nu: in Christus is het irrelevant, het doet er niet toe. Paulus zegt dat niet tegen een minderheid van homoseksuelen of transgenders, maar tegen mensen die een ‘normale’ mannelijkheid of vrouwelijkheid hebben.

Een inclusieve kerk

Als ik bedenk hoe christenen om moeten gaan met transgenders, meisjesachtige jongens en jongensachtige meisjes dan kan ik op grond van Galaten 3:28 maar één manier bedenken: in de kerk doet genderidentiteit er niet toe. De kerk hoort niet een plek te zijn waar de ‘normale’ meerderheid bepaalt wat de norm is en daarmee continu uitsluitende signalen afgeeft richting mensen die ‘anders’ zijn.

Volgens Jezus is de kerk het zout der aarde, een stad op een berg en het licht van de wereld (Mat. 5:13-14). Uit de context blijkt dat het dan niet gaat om het handhaven van conservatieve verhoudingen in een liberale wereld, maar om radicale geweldloosheid: ‘zalig de vredestichters, zalig de barmhartigen, zalig de zachtmoedigen’. Een geweldloosheid die zich uitstrekt tot in je woorden: ‘Als je nietsnut tegen je broeder (oeps, niet zo genderneutraal) zegt, moet je je verantwoorden voor het Sanhedrin’, een geweldloosheid die zich uitstrekt tot je gedachten: ‘ieder die naar een vrouw kijkt en haar begeert…’

De kerk als geweldloze plek richting mensen die ‘anders’ zijn. Geweldloos in gedachten, woorden en werken… Dan hebben we nog een lange weg te gaan richting:  
  • Transgenders die we alleen door het woord ‘anders’ op hen van toepassing te laten zijn al laten merken dat ze er niet helemaal mogen zijn. Die we onderling bespreken als verwijfde mannen, manwijven, kenaus en wat voor kwalificaties we er allemaal nog meer voor bedenken. 
  • Ongehuwde mannen en vrouwen doordat we telkens opnieuw het gezin in de kerk tot impliciete norm verheffen in ons woordgebruik en onze activiteiten.
  • Homoseksuelen die vaak eerst als probleem worden gezien voor onze orthodoxe leer en vervolgens als object van onze pastorale bewogenheid.
  • Ik vergeet vast nog wel iets. 

Het gaat om het ideaal van de kerk als veldhospitaal voor hen die het in deze wereld moeilijk hebben vanwege hun anders zijn. Helaas is het nu vaak andersom, dat de wereld een veilige plek is voor mensen die in de kerk niet gewenst zijn vanwege hun anders zijn.

Als we in de kerk op die manier met elkaar omgaan, kunnen we ons misschien een oordeel veroorloven over die barre boze wereld. Al vraag ik me af of we dan nog behoefte hebben aan zo’n oordeel. Tot die tijd moeten we er niet vreemd van opkijken dat ‘links’ de gaten vult die we als kerk laten vallen. 

maandag 6 maart 2017

(joods)-christelijke of liberale waarden?

Door immigranten staat onze (joods)-christelijke cultuur onder druk. Daarom moeten we weer trots zijn op onze (joods)-christelijke cultuur, die verdedigen tegen mensen die uit andere culturen komen en immigranten zich aan laten passen aan onze waarden. Dat is in een notendop een geluid dat de rechterkant van het politieke spectrum voortdurend laat horen.

Ik zou me daar als belijdend christen en dominee gevleid door kunnen voelen. Ik voel echter vooral verlegenheid. Dat heeft deels te maken met dat het onduidelijk is waar we precies over praten als het gaat om (joods)-christelijk. Is het de cultuur, zijn het bepaalde waarden, is het het historische christendom (de traditie), of allemaal? En op welke manier kunnen die dingen dan bedreigd worden door de islam?

Laat ik beginnen bij onze christelijke cultuur. Ik denk dan aan Bach, kathedralen en het laatste avondmaal van Leonardo da Vinci. Er is inderdaad een brede stroom van christelijke cultuur die we moeten koesteren. Ik heb echter niet de indruk dat dit direct door de islam wordt bedreigd, ik hoor er ook niemand over. Het enige wat ik op dit punt concreet gehoord heb ging over de bedreiging van het kerstfeest, een hardnekkige hoax die steeds terug blijft komen, maar die op valse geruchten is gebaseerd.

Als ik politici hoor definiëren waar het om gaat in onze (joods)-christelijke cultuur, dan noemen ze meestal een aantal waarden, of beter gezegd, vrijheden: (1) de vrijheid van meningsuiting, (2) godsdienstvrijheid, (3) de vrijheid om als homostel hand in hand over straat te lopen en (4) de gelijkheid van man en vrouw. En ik kan me inderdaad voorstellen dat deze vrijheden niet in elke moskee en bij elke moslim in veilige handen zijn. En zeker moslimextremisten vormen een regelrechte bedreiging voor deze vrijheden. 

Maar dan begint ook tegelijk mijn verlegenheid. Want ook het historische christendom heeft met alle vier die vrijheden problemen, en het huidige belijdende christendom heeft in elk geval nog flinke problemen met de laatste twee. Zelf zit ik in een kerkverband dat nog in 2013 heeft besloten dat het samenleven van homoseksuelen zonde is en waar vrouwen geen leidinggevende posities kunnen bekleden. En daarin zijn we geen uitzondering. Ook de katholieke kerk, wereldwijd de grootste kerk, deelt die visie.

En, als we het historisch bekijken, hoe lang kunnen homo’s eigenlijk al overal veilig hand in hand over straat lopen in Nederland zonder nageroepen te worden. 30 jaar, misschien 40? En de grote feministische golf waarin mannen en vrouwen als absoluut gelijk werden gezien ontstond in ongeveer diezelfde periode (de jaren '70). Beide bewegingen, de homo-emancipatie én de vrouwen-emancipatie, waren in elk geval deels een vijandige reactie op de tot dan toe dominante christelijke cultuur in Nederland.

En zo is er een tegenstrijdigheid in het spreken over (joods)-christelijke waarden. Er worden waarden als christelijk gepresenteerd die dat in het historische christendom niet zijn, en die in het huidige belijdende christendom nog altijd ter discussie staan.

Twee weken geleden zei Mona Keijzer (CDA) aan de tafel van Tijs dat het in Nederland is misgegaan vanaf de jaren ’70 omdat we vanaf toen onze christelijke wortels steeds meer zijn gaan relativeren. En ook zij legde een direct verband tussen onze vrijheden en de (joods)-christelijke cultuur. 

Echter, juist door de relativering van de christelijke wortels werden die vrijheden mogelijk. Niet voor niets werd een belangrijke vrijheid als het homohuwelijk pas tijdens de paarse kabinetten geregeld. En de tegenstemmers? Inderdaad, de christelijke partijen, waaronder het CDA. De paarse wetgeving kwam duidelijk tot stand vanuit het zich afkeren van de christelijke traditie. Dan is het onzorgvuldig om nu diezelfde vrijheden te gaan verdedigen als (joods)-christelijk.

Dan acht ik het taalgebruik van Lodewijk Asscher zorgvuldiger. Hij zei in het Rode Hoed debat dat hij liever sprak over onze liberale waarden. Want dat zijn deze vrijheden. Liberale waarden die de vrijheid van het individu en van religies ten opzichte van de staat benadrukken. Deze waarden zijn, zeker deels, voortgekomen uit het christendom, en ook goed met verschillende varianten van het christendom te verenigen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze waarden, tenminste deels, bevochten moesten worden op het christendom en er ook nog steeds deels op gespannen voet mee staan. Daarom is het discutabel om precies deze vrijheden te labelen als (joods)-christelijk.

Problematisch wordt het als deze liberale vrijheden worden gelabeld als (joods)-christelijk om daarmee de islam negatief te labelen. Op die manier wordt de suggestie gewekt alsof de islam onverenigbaar is met deze waarden, terwijl dat historische experiment nog maar net begonnen is en toch ook wel enige hoopvolle vruchten laat zien. En tegelijk wordt de suggestie gewekt alsof we in Europa inmiddels al zo’n 1000 jaar rondlopen in een liberale samenleving. Dat is gewoon geen eerlijke voorstelling van zaken.

Ik heb er moeite mee als christelijke politici meegaan in het door Wilders gemunte taalgebruik over de jood-christelijk Nederland. En als ze het, net als Wilders, voortdurend gebruiken om zich af te grenzen tegen de islam. Waarom? Vooralsnog is er in Nederland slechts één partij die die verworven liberale dan wel (joods)-christelijke waarden in het verkiezingsprogramma echt fundamenteel onder druk zet en dat is de PVV (en niet DENK). Ik zou het daarom geweldig vinden als christelijke politici onze waarden met veel passie zouden verdedigen tegen de PVV. 


p.s. ik heb 'joods' steeds tussen haakjes gezet omdat volstrekt willekeurig de ene keer gesproken wordt over christelijke waarden en dan weer over joods-christelijke waarden. 

woensdag 4 januari 2017

Mijn ongemak met de huidige islamdiscussie

Voor wie het nog niet was opgevallen, ik ben de laatste weken ineens een tamelijk radicaal verdediger van de islam geworden. En dat is ongemakkelijk voor iemand die zich bewust is van het grote inhoudelijke verschil tussen islam en christendom. Islamkritiek is geen vies woord voor mij.  Van mijn theologische huis uit ben ik gewend aan een kritische omgang met de islam. Een stevige inhoudelijke discussie over de persoon van Jezus, de visie op het heilig boek en de rol van geweld in beide godsdiensten lijkt me zeer zinvol, omdat ik vanuit mijn christelijke perspectief wel een paar verschillen zie.

Dat jihadisme gevaarlijk is staat niet ter discussie. Dat vindt iedereen al. Volgens mij vindt ook iedereen dat dat met alle geëigende middelen moet worden aangepakt. Dat veel landen met een islamitische meerderheid nou niet bepaald voorbeelden zijn van democratie en vrijheid staat ook niet ter discussie. Maar momenteel spitst de discussie in de maatschappij, maar in het kielzog daarvan ook in de kerk zich toe op één vraag: is ‘de islam’ inherent gewelddadig?

Of de discussie zich zelf toespitst weet ik trouwens niet eens. Ik heb sterk het gevoel dat deze discussie op dit moment door ‘rechts’ aan de samenleving wordt opgedrongen. De rest van Nederland moet vinden dat de islam inherent gevaarlijk is. Een andere mening hebben is wegkijken.

Wat zijn de feiten?

Maar op basis waarvan moet ik dat vinden? Vanochtend verscheen in het AD een interview van Wierd Duk met Ruud Koopmans. Het artikel opent er mee dat wereldwijd 50 miljoen moslims bereid zijn geweld te gebruiken. Een getal dat indruk maakt. Je wordt er bang van. Hij beroept zich voor dat cijfer op ‘onderzoek’. Welk onderzoek is niet zichtbaar en hoe je die onderzoeken moet interpreteren wordt niet gevraagd. 

Maar goed, het gaat dan om ongeveer 5% van alle moslims. Je zou ook kunnen constateren dat 95% van de moslims niet bereid is geweld te gebruiken. Volgens hetzelfde artikel zijn nog eens 45% van de moslims intolerant: haat richting afvalligen, homohaat en de schending van vrouwenrechten worden genoemd als indicatie van die intolerantie. Opnieuw: niet helder wordt op welk onderzoek dit gebaseerd is en wat de criteria zijn. Wat is homohaat precies? En wanneer schend je rechten van vrouwen? En in hoeverre komen die opvattingen voort uit de islam, of leven ze breder in niet-westerse landen? In contacten met christenen uit dat deel van de wereld is duidelijk dat ook zij niet echt tolerant richting homo’s zijn.

Blijft over dat wereldwijd ongeveer 50% van de moslims tolerant zou zijn. Dat vind ik eerlijk gezegd nog een best hoog percentage. In elk geval te hoog om ‘de islam’ als zodanig gewelddadig te noemen.

Hoezo: bereid geweld te gebruiken?

In hetzelfde interview van Duk valt me nog iets op. In het interview zelf zegt Koopmans dat die 50 miljoen mensen bereid zijn ‘om geweld te accepteren – ook tegen burgers – om de islam te verdedigen’. In de inleiding van het artikel is dat ineens geworden: ‘Wereldwijd zijn 50 miljoen moslims bereid geweld te gebruiken’.

Semantisch zit er nog wel wat ruimte tussen het gebruiken van geweld of accepteren van geweld. Stel je voor dat je in Nederland een enquête zou uitzetten onder PVV-stemmers, of zelfs alle Nederlanders, met de vraag of ze ‘bereid zijn geweld te accepteren – ook tegen burgers – om de westerse waarden te verdedigen?’, dan ben ik benieuwd naar de uitkomst. Eerlijk gezegd, als je hem op de juiste manier uitlegt, zou ik er ook ja op antwoorden.

Sterker nog, momenteel verdedigen onze westerse vliegtuigen onze westerse waarden door IS te bombarderen, en dat er daarbij burgerslachtoffers vallen, hoe verdrietig ook, accepteer ik.

Wie kijkt er weg?

Stel je voor dat we nu met z’n allen gaan vinden dat ‘de islam’ een gewelddadige godsdienst is. En dat we dus ‘de islam’ erkennen als de enige bron van al het jihadistisch geweld, wat is dan het effect?

M.i. zal het effect zijn dat we met elkaar de ogen sluiten voor mogelijke andere oorzaken voor het jihadistisch geweld. Sociaal-economische oorzaken, oorzaken die te maken hebben met discriminatie van moslims in de westerse wereld, oorzaken die te maken hebben met een soms wat ongelukkig effect van westers ingrijpen in de Arabische wereld.

Door ‘de islam’ als enige oorzaak van jihadistisch geweld aan te duiden kijken we weg van mogelijke andere oorzaken en zullen we dit kwaad bestrijden met de verkeerde oplossingen.

Mijn positie is deze: inhoudelijke kritiek op de islam? prima. Jihadisme bestrijden? dat moet. Zowel op theologisch niveau als met wapens. Stellen dat ‘de islam’ inherent gewelddadig is? contraproductief en kortzichtig.  


Naschrift: vandaag verscheen er in het NRC een factcheck over het getal van 50 miljoen dat bereid is om geweld te accepteren. NRC tekent daarbij aan dat geweld accepteren niet hetzelfde is als geweld gebruiken. Voor veel cijfermateriaal zie het onderzoek van Pew dat ik onder ogen kreeg. Deze 50 miljoen moeten afgezet worden tegen de 1,6 miljard moslims wereldwijd. Dat is ongeveer 3%.