zaterdag 14 oktober 2017

Over de GTU en kerkelijke eenheid

Het Nieuwe Testament ken slechts één kerk. Dat is een principieel gegeven. Er kan maar één kerk zijn omdat er één Heer is. De nieuwtestamentische kerkleer is stevig verankerd in de leer over Christus. Met zijn bloed heeft Hij voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, en Hij heeft daar voor God één koninkrijk uit gevormd (Opb. 5:9-10). De eenheid is ook urgent. Dat blijkt uit het gegeven dat vrijwel alle brieven van Paulus gaan over het bewaren van de eenheid. Steeds wordt de roep om eenheid gefundeerd in het evangelie: jullie hebben één Heer, jullie zijn allemaal door zijn ene offer gered én tot een eenheid gevormd en geroepen. Er ligt dus een rechtstreekse lijn tussen de juiste beleving van het evangelie en de roeping tot eenheid.

De vroege kerk heeft de principiële eenheid van de kerk vastgelegd in belijdenissen. De duidelijkste belijdenis is die van Nicea die van de kerk zegt: zij is één, heilig, katholiek en apostolisch. Vier woorden die elkaar wederzijds aanvullen en het beeld schetsen van een gemeenschap die geroepen is uit de wereld (heilig), gefundeerd op het apostolisch onderwijs aangaande Christus (apostolisch), tijd- en plaatsoverstijgend (katholiek) en daarom principieel één. Er kunnen niet meerdere heilige, katholieke, apostolische kerken zijn. De eenheid van de kerk zit in het hart van haar identiteit. En dat komt doordat de ene Heer in het hart van haar identiteit staat.

Sinds de eerste kerkscheuringen bestaat er iets wat principieel niet kan bestaan: meerdere kerken. Er zijn conflicten in het lichaam van Christus zo uit de hand gelopen dat het gevolg is dat christenen elkaar wederzijds hebben uitgesloten van het lichaam van Christus. Geen van de kerken heeft de eenheid bewaard en daarom kan geen van de kerken zich katholiek noemen, alle kerken zijn afgeweken van het apostolische onderwijs (die de eenheid van de kerk veronderstelt) en de heiligheid van de kerk, die erin bestaat dat ze het ene volk van God is, bestaat niet meer.

De huidige kerkelijke situatie laat zich daarom het best typeren als een Babylonische ballingschap: weg uit het beloofde land vanwege onze zonde. En de huidige kerkverbanden hebben alleen bestaansrecht als zij zichzelf zien als een noodverband: een tijdelijk verband van kerken om in de ballingschap te overleven totdat de eenheid weer teruggevonden is. Kerkverbanden ontlenen hun identiteit dus aan de diepe wens om zichzelf te kunnen opheffen bij het opgaan in een groter geheel.
Dit geldt dus ook voor een gereformeerde kerk die voluit kerk wil zijn. De vier elementen van Nicea zijn het hart van haar identiteit, en met vreugde zal zo’n gereformeerde kerk alles wat niet tot dat hart behoort prijsgeven vanwege eenheid met andere kerken.

Hoe verdrietig anders is de huidige opstelling van de Christelijke Gereformeerde Kerken, waar ik toe behoor. Met schaamte schrijf ik erover omdat het lijkt alsof de beleving van kerkverband als noodverband helemaal weg is ten gunste van een beleving waarbij het ‘eigene’ van de CGK wordt benadrukt als iets dat beschermd moet worden tegen anderen. Het negatieve besluit van de synode over de Gereformeerde Theologische Universiteit (GTU) is formeel niet genomen vanwege deze eigenheid. Maar in de wandelgangen speelt het een grote rol. Opvallend is dat de synode geen hand meer uitsteekt naar de partners in deze samenwerking om een andere weg te vinden om de opleiding samen te doen.

Nu is er met iets eigens als zodanig niks mis. Maar de CGK is het eigene gaan koesteren als iets dat tot het hart van haar identiteit behoort en dat tegen het samengaan met andere kerken beschermd moet worden. En daarmee is het kerkverband een principiële grens overgegaan. Niet de vier elementen van Nicea vormen het hart van haar identiteit, maar er is iets bijgekomen dat als een koekoeksjong de andere dingen uit het nest dreigt te werpen.

Het duidelijkst is dat zichtbaar in het synodebesluit over de afvaardiging van niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers naar de classis. In dat besluit is binnenkerkelijke eenheid tot een zelfstandig principe verheven. Dus kerkelijke eenheid (waar binnenkerkelijke eenheid uiteraard onderdeel van is) is niet het enige principe, maar er is een tweede principe bijgekomen, binnenkerkelijke eenheid, dat nu op papier evenveel gewicht krijgt als kerkelijke eenheid. De gevolgen van die stap zijn direct zichtbaar geworden. De synode is in de besluitvorming over dit aangelegen punt namelijk over ‘botsende principes’ gaan spreken. Dus het principe binnenkerkelijke eenheid ‘botst’ nu met het principe kerkelijke eenheid. En op basis daarvan wordt een besluit genomen over de samenwerking met andere kerken dat maar één kant kan opvallen, namelijk: de rem er op. In de praktijk blijkt binnenkerkelijke eenheid zwaarder te wegen dan kerkelijke eenheid. Vanaf nu kan elke minderheid die zicht bezwaard voelt door eenheid met andere kerken zich op de binnenkerkelijke eenheid beroepen en het samenwerkingsproces blijvend onder druk zetten.

Hier gebeurt iets wat principieel onjuist is. Als we namelijk belijden dat de kerk één, heilig, apostolisch en katholiek is, dan is er maar één eenheid. Die van de kerk. Als je constateert dat de eenheid met andere kerken een principiële zaak is (zoals de synode terecht doet), dan hebben mensen die daar moeite mee hebben een geestelijk probleem, en dáár moet wat aan gedaan worden. Maar als je van binnenkerkelijke eenheid een apart principe maakt ontstaat er ruimte om die ongeestelijke moeite blijvend een reden te laten zijn om de samenwerking met andere kerken tegen te houden.

In de kerkelijke eenheid gaat het uiteindelijk om de eenheid van Christus. De dringende vraag aan de CGK is nu: zijn we bereid om Zijn eenheid het hart van onze identiteit te laten uitmaken?

Naschrift: Van verschillende kanten kreeg ik de reactie dat de 'wandelgangen' als basis voor mijn opvatting over het GTU-besluit niet zo stevig is. Omdat het complete besluit nog niet gepubliceerd is, en de bespreking achter gesloten deuren was, kan ik niet compleet en in alle nuance overzien wat de overwegingen voor de broeders ter synode zijn geweest om tegen de GTU te stemmen, en bestaat de kans dat ik hen geen recht heb gedaan. Voor wat betreft mijn opvatting over de wijze waarop de CGK omgaan met hun eigenheid en binnenkerkelijke eenheid is het besluit over het niet-afvaardigen van niet-christelijk-gereformeerde-ambtsdragers een betere basis. De link met het GTU-besluit die ik leg is te voorbarig geweest. 

N.b. over het besluit om niet-christelijk-gereformeerde ambtsdragers niet naar de classis af te vaardigen schreef ik al eerder.

woensdag 20 september 2017

Genderneutrale ophef

In Nederland is er ongeveer eens per maand flinke ophef over het thema genderneutraal, of het nu de aanspreekvorm van de NS is, genderneutrale toiletten of de kinderkleding van de HEMA. Het is een thema dat uitnodigt om een stevige mening te hebben en te ventileren. Het raakt blijkbaar de emotie. Zelf heb ik me tot vandaag wat op de vlakte gehouden. Aan de ene kant omdat ik hier nu eens niet een heel stellige mening over heb. Aan de andere kant omdat de mening die ik aan het vormen ben afwijkt van de subcultuur waarin ik leef: het conservatieve christendom. Net als de meeste anderen wijk ik niet graag af van de om me heen geldende mening.

De toon waarop conservatieve christenen over dit thema spreken varieert van: ‘ik vind het een non-issue’ tot, ‘weer een teken van het gegeven dat we met een klassieke christelijke opvatting in een hoek gezet worden door links’. God schiep man en vrouw, dat is de scheppingsorde, en daarvan afwijken is afwijken van Gods wil en een teken van verval van de samenleving.

Vanuit de Bijbel valt er ook op een andere manier naar te kijken. Een tekst die hier onmiddellijk bij mij naar boven komt is Galaten 3:28.
Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij zijt immers één in Christus Jezus.
Geparafraseerd ziet dat er zo uit: in het Koninkrijk van God doet je ras, sociale status en gender er niet toe. Vaak wordt dit gezien als alleen een relativering van deze dingen (ze blijven immers voortbestaan en dat klopt), maar het is meer dan een relativering. Het is met het oog op Gods rijk irrelevant.

Dat het hier om een ingrijpende opvatting gaat is te zien aan het gegeven dat Paulus hier exact de Griekse woorden gebruikt die in Genesis 1:27 staan: Mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen. De zogenaamde scheppingsorde: in Christus doet het er niet toe.

Het is belangrijk om goed te lezen: er wordt in deze tekst niet gezegd dat je geen man of vrouw mag zijn. Het doet er alleen niet meer toe. Daarom zien we in het Nieuwe Testament naast een lijn waarin mensen man en vrouw zijn en het huwelijk in ere wordt gehouden ook een lijn waarin ineens ongedachte dingen gebeuren.

Eunuchen
Denk aan de eerste heiden die tot geloof komt. Een eunuch, iemand die om politieke redenen gecastreerd is, en daardoor een uiterlijk ontwikkelt met veel vrouwelijke kenmerken. In Handelingen 8:27 wordt hij aangeduid als een Ethiopische man, omdat dat de manier is om te zeggen dat iemand uit een bepaald land afkomstig is. Maar verder wordt hij consequent sekseneutraal aangeduid als Eunuch. Vanuit de scheppingsorde zou je deze man kunnen benaderen als een gemankeerde, hij heeft geen geslacht. Maar in het hele Schriftgedeelte wordt zijn ontmande staat nergens geproblematiseerd. Ook geeft Filippus hem zijn mannelijkheid niet terug, terwijl er in het Nieuwe Testament toch wel grotere wonderen gebeuren. Blijkbaar maakt het niet uit! Hij leert Jezus kennen en vervolgt zijn weg met blijdschap. Dat is het. Jezus zelf doet er in Matteus 19:12 trouwens nog een schepje bovenop door mensen die zichzelf ontmannen met het oog op Gods rijk met ere te noemen.

Vanuit deze achtergrond is het niet te verdedigen dat christenen vandaag zich uiten alsof het Koninkrijk zelf in het geding is als er meer ruimte gegeven wordt aan mensen die een onduidelijke genderidentiteit hebben, of als winkels aandacht geven aan kinderen die zich niet happy voelen in stereotype kleding. En het is al helemaal tenenkrommend als men daarbij zelf in de slachtofferrol kruipt: “binnenkort mogen we niet eens meer vinden dat mannen gewoon mannen zijn en vrouwen gewoon vrouwen.”

Ik denk dat we vaak niet begrijpen hoe diep Galaten 3:28 in ons mannelijk en vrouwelijk vlees snijdt. ‘Normale’ mannen en vrouwen zijn geneigd om hun identiteit voor een heel groot deel op hun mannelijkheid of vrouwelijkheid te baseren. Het bepaalt met wie ze omgaan, hoe ze zich kleden, hoe de machtsverdeling in een relatie vorm krijgt, etc. En dat voelt voor ‘normale’ mannen en vrouwen allemaal diep vanzelfsprekend. En van dit alles zegt Paulus nu: in Christus is het irrelevant, het doet er niet toe. Paulus zegt dat niet tegen een minderheid van homoseksuelen of transgenders, maar tegen mensen die een ‘normale’ mannelijkheid of vrouwelijkheid hebben.

Een inclusieve kerk

Als ik bedenk hoe christenen om moeten gaan met transgenders, meisjesachtige jongens en jongensachtige meisjes dan kan ik op grond van Galaten 3:28 maar één manier bedenken: in de kerk doet genderidentiteit er niet toe. De kerk hoort niet een plek te zijn waar de ‘normale’ meerderheid bepaalt wat de norm is en daarmee continu uitsluitende signalen afgeeft richting mensen die ‘anders’ zijn.

Volgens Jezus is de kerk het zout der aarde, een stad op een berg en het licht van de wereld (Mat. 5:13-14). Uit de context blijkt dat het dan niet gaat om het handhaven van conservatieve verhoudingen in een liberale wereld, maar om radicale geweldloosheid: ‘zalig de vredestichters, zalig de barmhartigen, zalig de zachtmoedigen’. Een geweldloosheid die zich uitstrekt tot in je woorden: ‘Als je nietsnut tegen je broeder (oeps, niet zo genderneutraal) zegt, moet je je verantwoorden voor het Sanhedrin’, een geweldloosheid die zich uitstrekt tot je gedachten: ‘ieder die naar een vrouw kijkt en haar begeert…’

De kerk als geweldloze plek richting mensen die ‘anders’ zijn. Geweldloos in gedachten, woorden en werken… Dan hebben we nog een lange weg te gaan richting:  
  • Transgenders die we alleen door het woord ‘anders’ op hen van toepassing te laten zijn al laten merken dat ze er niet helemaal mogen zijn. Die we onderling bespreken als verwijfde mannen, manwijven, kenaus en wat voor kwalificaties we er allemaal nog meer voor bedenken. 
  • Ongehuwde mannen en vrouwen doordat we telkens opnieuw het gezin in de kerk tot impliciete norm verheffen in ons woordgebruik en onze activiteiten.
  • Homoseksuelen die vaak eerst als probleem worden gezien voor onze orthodoxe leer en vervolgens als object van onze pastorale bewogenheid.
  • Ik vergeet vast nog wel iets. 

Het gaat om het ideaal van de kerk als veldhospitaal voor hen die het in deze wereld moeilijk hebben vanwege hun anders zijn. Helaas is het nu vaak andersom, dat de wereld een veilige plek is voor mensen die in de kerk niet gewenst zijn vanwege hun anders zijn.

Als we in de kerk op die manier met elkaar omgaan, kunnen we ons misschien een oordeel veroorloven over die barre boze wereld. Al vraag ik me af of we dan nog behoefte hebben aan zo’n oordeel. Tot die tijd moeten we er niet vreemd van opkijken dat ‘links’ de gaten vult die we als kerk laten vallen. 

maandag 6 maart 2017

(joods)-christelijke of liberale waarden?

Door immigranten staat onze (joods)-christelijke cultuur onder druk. Daarom moeten we weer trots zijn op onze (joods)-christelijke cultuur, die verdedigen tegen mensen die uit andere culturen komen en immigranten zich aan laten passen aan onze waarden. Dat is in een notendop een geluid dat de rechterkant van het politieke spectrum voortdurend laat horen.

Ik zou me daar als belijdend christen en dominee gevleid door kunnen voelen. Ik voel echter vooral verlegenheid. Dat heeft deels te maken met dat het onduidelijk is waar we precies over praten als het gaat om (joods)-christelijk. Is het de cultuur, zijn het bepaalde waarden, is het het historische christendom (de traditie), of allemaal? En op welke manier kunnen die dingen dan bedreigd worden door de islam?

Laat ik beginnen bij onze christelijke cultuur. Ik denk dan aan Bach, kathedralen en het laatste avondmaal van Leonardo da Vinci. Er is inderdaad een brede stroom van christelijke cultuur die we moeten koesteren. Ik heb echter niet de indruk dat dit direct door de islam wordt bedreigd, ik hoor er ook niemand over. Het enige wat ik op dit punt concreet gehoord heb ging over de bedreiging van het kerstfeest, een hardnekkige hoax die steeds terug blijft komen, maar die op valse geruchten is gebaseerd.

Als ik politici hoor definiëren waar het om gaat in onze (joods)-christelijke cultuur, dan noemen ze meestal een aantal waarden, of beter gezegd, vrijheden: (1) de vrijheid van meningsuiting, (2) godsdienstvrijheid, (3) de vrijheid om als homostel hand in hand over straat te lopen en (4) de gelijkheid van man en vrouw. En ik kan me inderdaad voorstellen dat deze vrijheden niet in elke moskee en bij elke moslim in veilige handen zijn. En zeker moslimextremisten vormen een regelrechte bedreiging voor deze vrijheden. 

Maar dan begint ook tegelijk mijn verlegenheid. Want ook het historische christendom heeft met alle vier die vrijheden problemen, en het huidige belijdende christendom heeft in elk geval nog flinke problemen met de laatste twee. Zelf zit ik in een kerkverband dat nog in 2013 heeft besloten dat het samenleven van homoseksuelen zonde is en waar vrouwen geen leidinggevende posities kunnen bekleden. En daarin zijn we geen uitzondering. Ook de katholieke kerk, wereldwijd de grootste kerk, deelt die visie.

En, als we het historisch bekijken, hoe lang kunnen homo’s eigenlijk al overal veilig hand in hand over straat lopen in Nederland zonder nageroepen te worden. 30 jaar, misschien 40? En de grote feministische golf waarin mannen en vrouwen als absoluut gelijk werden gezien ontstond in ongeveer diezelfde periode (de jaren '70). Beide bewegingen, de homo-emancipatie én de vrouwen-emancipatie, waren in elk geval deels een vijandige reactie op de tot dan toe dominante christelijke cultuur in Nederland.

En zo is er een tegenstrijdigheid in het spreken over (joods)-christelijke waarden. Er worden waarden als christelijk gepresenteerd die dat in het historische christendom niet zijn, en die in het huidige belijdende christendom nog altijd ter discussie staan.

Twee weken geleden zei Mona Keijzer (CDA) aan de tafel van Tijs dat het in Nederland is misgegaan vanaf de jaren ’70 omdat we vanaf toen onze christelijke wortels steeds meer zijn gaan relativeren. En ook zij legde een direct verband tussen onze vrijheden en de (joods)-christelijke cultuur. 

Echter, juist door de relativering van de christelijke wortels werden die vrijheden mogelijk. Niet voor niets werd een belangrijke vrijheid als het homohuwelijk pas tijdens de paarse kabinetten geregeld. En de tegenstemmers? Inderdaad, de christelijke partijen, waaronder het CDA. De paarse wetgeving kwam duidelijk tot stand vanuit het zich afkeren van de christelijke traditie. Dan is het onzorgvuldig om nu diezelfde vrijheden te gaan verdedigen als (joods)-christelijk.

Dan acht ik het taalgebruik van Lodewijk Asscher zorgvuldiger. Hij zei in het Rode Hoed debat dat hij liever sprak over onze liberale waarden. Want dat zijn deze vrijheden. Liberale waarden die de vrijheid van het individu en van religies ten opzichte van de staat benadrukken. Deze waarden zijn, zeker deels, voortgekomen uit het christendom, en ook goed met verschillende varianten van het christendom te verenigen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze waarden, tenminste deels, bevochten moesten worden op het christendom en er ook nog steeds deels op gespannen voet mee staan. Daarom is het discutabel om precies deze vrijheden te labelen als (joods)-christelijk.

Problematisch wordt het als deze liberale vrijheden worden gelabeld als (joods)-christelijk om daarmee de islam negatief te labelen. Op die manier wordt de suggestie gewekt alsof de islam onverenigbaar is met deze waarden, terwijl dat historische experiment nog maar net begonnen is en toch ook wel enige hoopvolle vruchten laat zien. En tegelijk wordt de suggestie gewekt alsof we in Europa inmiddels al zo’n 1000 jaar rondlopen in een liberale samenleving. Dat is gewoon geen eerlijke voorstelling van zaken.

Ik heb er moeite mee als christelijke politici meegaan in het door Wilders gemunte taalgebruik over de jood-christelijk Nederland. En als ze het, net als Wilders, voortdurend gebruiken om zich af te grenzen tegen de islam. Waarom? Vooralsnog is er in Nederland slechts één partij die die verworven liberale dan wel (joods)-christelijke waarden in het verkiezingsprogramma echt fundamenteel onder druk zet en dat is de PVV (en niet DENK). Ik zou het daarom geweldig vinden als christelijke politici onze waarden met veel passie zouden verdedigen tegen de PVV. 


p.s. ik heb 'joods' steeds tussen haakjes gezet omdat volstrekt willekeurig de ene keer gesproken wordt over christelijke waarden en dan weer over joods-christelijke waarden. 

woensdag 4 januari 2017

Mijn ongemak met de huidige islamdiscussie

Voor wie het nog niet was opgevallen, ik ben de laatste weken ineens een tamelijk radicaal verdediger van de islam geworden. En dat is ongemakkelijk voor iemand die zich bewust is van het grote inhoudelijke verschil tussen islam en christendom. Islamkritiek is geen vies woord voor mij.  Van mijn theologische huis uit ben ik gewend aan een kritische omgang met de islam. Een stevige inhoudelijke discussie over de persoon van Jezus, de visie op het heilig boek en de rol van geweld in beide godsdiensten lijkt me zeer zinvol, omdat ik vanuit mijn christelijke perspectief wel een paar verschillen zie.

Dat jihadisme gevaarlijk is staat niet ter discussie. Dat vindt iedereen al. Volgens mij vindt ook iedereen dat dat met alle geëigende middelen moet worden aangepakt. Dat veel landen met een islamitische meerderheid nou niet bepaald voorbeelden zijn van democratie en vrijheid staat ook niet ter discussie. Maar momenteel spitst de discussie in de maatschappij, maar in het kielzog daarvan ook in de kerk zich toe op één vraag: is ‘de islam’ inherent gewelddadig?

Of de discussie zich zelf toespitst weet ik trouwens niet eens. Ik heb sterk het gevoel dat deze discussie op dit moment door ‘rechts’ aan de samenleving wordt opgedrongen. De rest van Nederland moet vinden dat de islam inherent gevaarlijk is. Een andere mening hebben is wegkijken.

Wat zijn de feiten?

Maar op basis waarvan moet ik dat vinden? Vanochtend verscheen in het AD een interview van Wierd Duk met Ruud Koopmans. Het artikel opent er mee dat wereldwijd 50 miljoen moslims bereid zijn geweld te gebruiken. Een getal dat indruk maakt. Je wordt er bang van. Hij beroept zich voor dat cijfer op ‘onderzoek’. Welk onderzoek is niet zichtbaar en hoe je die onderzoeken moet interpreteren wordt niet gevraagd. 

Maar goed, het gaat dan om ongeveer 5% van alle moslims. Je zou ook kunnen constateren dat 95% van de moslims niet bereid is geweld te gebruiken. Volgens hetzelfde artikel zijn nog eens 45% van de moslims intolerant: haat richting afvalligen, homohaat en de schending van vrouwenrechten worden genoemd als indicatie van die intolerantie. Opnieuw: niet helder wordt op welk onderzoek dit gebaseerd is en wat de criteria zijn. Wat is homohaat precies? En wanneer schend je rechten van vrouwen? En in hoeverre komen die opvattingen voort uit de islam, of leven ze breder in niet-westerse landen? In contacten met christenen uit dat deel van de wereld is duidelijk dat ook zij niet echt tolerant richting homo’s zijn.

Blijft over dat wereldwijd ongeveer 50% van de moslims tolerant zou zijn. Dat vind ik eerlijk gezegd nog een best hoog percentage. In elk geval te hoog om ‘de islam’ als zodanig gewelddadig te noemen.

Hoezo: bereid geweld te gebruiken?

In hetzelfde interview van Duk valt me nog iets op. In het interview zelf zegt Koopmans dat die 50 miljoen mensen bereid zijn ‘om geweld te accepteren – ook tegen burgers – om de islam te verdedigen’. In de inleiding van het artikel is dat ineens geworden: ‘Wereldwijd zijn 50 miljoen moslims bereid geweld te gebruiken’.

Semantisch zit er nog wel wat ruimte tussen het gebruiken van geweld of accepteren van geweld. Stel je voor dat je in Nederland een enquête zou uitzetten onder PVV-stemmers, of zelfs alle Nederlanders, met de vraag of ze ‘bereid zijn geweld te accepteren – ook tegen burgers – om de westerse waarden te verdedigen?’, dan ben ik benieuwd naar de uitkomst. Eerlijk gezegd, als je hem op de juiste manier uitlegt, zou ik er ook ja op antwoorden.

Sterker nog, momenteel verdedigen onze westerse vliegtuigen onze westerse waarden door IS te bombarderen, en dat er daarbij burgerslachtoffers vallen, hoe verdrietig ook, accepteer ik.

Wie kijkt er weg?

Stel je voor dat we nu met z’n allen gaan vinden dat ‘de islam’ een gewelddadige godsdienst is. En dat we dus ‘de islam’ erkennen als de enige bron van al het jihadistisch geweld, wat is dan het effect?

M.i. zal het effect zijn dat we met elkaar de ogen sluiten voor mogelijke andere oorzaken voor het jihadistisch geweld. Sociaal-economische oorzaken, oorzaken die te maken hebben met discriminatie van moslims in de westerse wereld, oorzaken die te maken hebben met een soms wat ongelukkig effect van westers ingrijpen in de Arabische wereld.

Door ‘de islam’ als enige oorzaak van jihadistisch geweld aan te duiden kijken we weg van mogelijke andere oorzaken en zullen we dit kwaad bestrijden met de verkeerde oplossingen.

Mijn positie is deze: inhoudelijke kritiek op de islam? prima. Jihadisme bestrijden? dat moet. Zowel op theologisch niveau als met wapens. Stellen dat ‘de islam’ inherent gewelddadig is? contraproductief en kortzichtig.  


Naschrift: vandaag verscheen er in het NRC een factcheck over het getal van 50 miljoen dat bereid is om geweld te accepteren. NRC tekent daarbij aan dat geweld accepteren niet hetzelfde is als geweld gebruiken. Voor veel cijfermateriaal zie het onderzoek van Pew dat ik onder ogen kreeg. Deze 50 miljoen moeten afgezet worden tegen de 1,6 miljard moslims wereldwijd. Dat is ongeveer 3%. 

vrijdag 9 december 2016

Proteststemmers lok je niet met oplossingen

Op de middelbare school hadden we eens tijdens een studiedag met de hele HAVO-VWO-afdeling tegelijk een lange pauze. Op een gegeven moment ontstond er een rellerige sfeer. We riepen dingen, er was wat duw- en trekwerk. Toen er een paar leraren aankwamen om de boel tot rust te manen keerden we ons met z’n allen tegen hen. De achtersten (waaronder ik) schreeuwden, de voorsten, daardoor aangemoedigd begonnen aan de leraren te trekken en te duwen. Die zagen uiteindelijk ook wel dat hun aanwezigheid niks aan de situatie zou verbeteren, en trokken zich terug in school. Toen was de lol eraf. Na een tijdje ging de zoemer en we gingen naar binnen.

Dit is volgens mij wat er aan de hand is onder Geert Wilders en zijn volgelingen in de richting van ‘de elite’. Wilders radicaliseert en zijn volgelingen radicaliseren mee. En alles wat redelijke mensen daar aan argumenten tegenover willen stellen wordt met hoongelach ontvangen. Dat komt van ‘de elite’, en  ‘die gaan we wegstemmen op 15 maart’. Toen Diederik Samsom afgelopen week zei dat hij de problemen van de Wilders-stemmers wilde oplossen, werd hij met hoongelach ontvangen. Proteststemmers lok je niet met oplossingen. En dat geldt vooralsnog voor elke politicus die in dezelfde electorale vijver probeert te vissen. Het volk wil de echte Wilders, geen slap aftreksel, het volk is in een fase van rellerigheid terechtgekomen waarin er geen praten meer aan is. Het volk ruikt het bloed van de elite.

Er is op de korte termijn geen oplossing voor dit probleem. Het geluid van het volk nog luider laten klinken zal dat geluid alleen maar verder normaliseren. De reële zorgen van mensen serieus nemen moet natuurlijk. Oplossingen bieden voor reële problemen van mensen in de marge ook. Maar dat moest ook al voordat Wilders op het toneel verscheen. Daar worden politici voor betaald. Dominees ook trouwens. Maar het is geen remedie om de Wilders-stemmer mee te paaien. Voorlopig is het enige wat de redelijke krachten in de politiek te doen staat het opwerpen van een cordon sanitaire tegen Wilders. De deur dicht doen en één front vormen. Tot de lol eraf is en de zoemer gaat. Hopelijk op tijd.

zaterdag 3 december 2016

Het touwtje van Terlouw: boodschap aan alle kapot-duiders

Zeven minuten luisterde half Nederland ademloos naar een breekbare oude man die een beeld schetste van Nederland. In een toespraak waar werkelijk alles goed aan was. Geen grote woorden, twee heldere punten, en een aansprekend beeld (touwtje). Niet alleen vertellen wat er niet goed gaat, maar ook een oplossingsrichting schetsen. En dat in zeven minuten. Zonder dat ik één moment de neiging kreeg om op twitter te kijken. 

En ik ben blij dat half Nederland liever luistert naar een opa die een visioen durft te schetsen dan naar politici die met woorden afbreken, kleineren of de boel weglachen. 

Een dag later begon het kapot-duiden van de toespraak al. In christelijke hoek: “kan uit D66 iets goeds voortkomen?” Heeft D66 zelf niet de samenleving gemaakt tot wat het nu is? Vanuit een andere hoek wordt Terlouw een valse nostalgie naar de jaren ’50 verweten. Die touwtjes uit de brievenbus konden er immers alleen maar hangen omdat de huisvrouw thuis was? 

De laatste weken is vaak gezegd dat degenen die op Trump gestemd hebben hem niet letterlijk hebben genomen, maar wel serieus. In plaats van de rest van de wereld die hem letterlijk nam en niet serieus. Eenzelfde variant zou ook opgaan voor de Wilders-stemmer. Of het voor hen opgaat weet ik nog niet zo zeker. 

Maar dat het voor Terlouw opgaat lijkt me helder. Als je de toespraak van Terlouw verstaat als een oproep om letterlijk een touwtje uit je brievenbus te hangen dan heb je weinig van profetisch taalgebruik begrepen. Met dat touwtje roept Terlouw een beeld op van een gelukkige en onbezorgde jeugd, die ook ik, 50 jaar later had, zonder touwtje overigens. Een onbezorgde en gelukkige jeugd die hij ook nieuwe generaties gunt. 

Terlouw schetste met één beeld een visioen van een betere wereld. Net zoals de bijbelse profeten dat konden. “Iedereen zal zitten onder zijn wijnrank en onder zijn vijgenboom, door niemand opgeschrikt, want de HEER heeft het gezegd.” Zo’n enkel beeld heeft de kracht om een hoopvol perspectief neer te zetten. Zo’n perspectief moet je niet gaan bevragen op: mag het ook een appelboom zijn? En: stel dat iemand twee vijgenbomen heeft, moet hij er dan één afstaan? Het gaat om het beeld van rust en vrede. Een krachtig beeld voor wie zich erdoor laat meenemen. 

Het was de kracht van de mythe die volgens Beatrice de Graaf Trump zo groot maakte. Een mythe waar het gewone politici zo vaak aan ontbreekt. Jan Terlouw levert een korte en krachtige mythe. Die mythe kapot-duiden lijkt me onverstandig. 

In een vorig blog heb ik de kracht van woorden die een eigen werkelijkheid kunnen scheppen benoemd. Ik ben heilig overtuigd van de kracht van woorden: negatieve en positieve. Het Woord heeft scheppingskracht, ten goede en ten kwade. 

Momenteel hebben we twee mythen: de mythe van een groot Nederland zonder moslims en met dichte grenzen, een mythe waarin vrijheid wordt gezien als het recht om zoveel mogelijk mensen zo hard mogelijk te beledigen. Of een mythe van een open Nederland met een touwtje door de brievenbus. Ik hang het touwtje vast door de brievenbus.